Skip to content

Selfie

20 december 2013

jackselfie1

Vooral veel oudere Nederlanders schijnen een hekel te hebben aan “selfie”. Niet alleen aan het woord, maar ook aan het verschijnsel. Ter verduidelijking: een selfie is een foto van jezelf, doorgaans gemaakt met een mobiele telefoon. Kees van Kooten noemde het onlangs een “otofoto”, hetgeen overigens een palindroom is. Taalpuristen zullen liever gebruik maken van het woord “keerwoord”.

Nederland is een Calvinistisch land, waar valse bescheidenheid een deugd is. Dat merken we dagelijks, want het is “not done” om jezelf te prijzen als je iets hebt gepresteerd. Het is “not done” om in de spiegel te kijken en te zeggen dat je er goed uitziet vandaag. Dergelijk gedrag wordt bestempeld als “ijdelheid”. Dezelfde instelling heeft geleid tot de klassieke Calvinistische “Wet van Jante”: “Wanneer je je kop boven het maaiveld uitsteekt, wordt die afgehakt.”

Geconfronteerd met hele volksstammen die ten gevolge van de door het Calvinisme opgelegde minderwaardigheidsgevoel leden aan een inferieur zelfbeeld, besloten humanistische psychologen en sociologen daar verandering in te brengen. Boeken als “Ik ben O.K., jij bent O.K.” (Thomas Harris) en “Als ik NEE zeg voel ik mij schuldig” (Manuel J. Smith) werden wereldwijde bestsellers. De Transactionele Analyse van Eric Berne werd een krachtig middel om mensen een goed gevoel te geven over zichzelf en een einde te maken aan de Calvinistische denkbeelden.

Dat alles is nu ongeveer 45 jaar geleden. En nog steeds zijn er mensen die vanwege hun (vaak onbewuste) Calvinistische denkbeelden iemand liever het graf inpraten dan de hemel, wanneer zij “ijdelheid” bespeuren, dan wel gerichtheid op het ik.

Het enige negatieve aan het woord selfie is dat het lijkt op “selfish” – egoïstisch dus. Echter, het is niet gebleken dat mensen die selfies maken egoïstisch zijn. Een selfie is gemakkelijk wanneer je geen spiegel bij de hand hebt en toch wilt weten hoe je eruit ziet. Of om terug te zien hoe je er op een gegeven moment, een bepaalde dag in een bepaald jaar, uitzag. Een selfie stuur je aan familie en vrienden, aan mensen die jou niet dagelijks zien maar dat wel zouden willen. Voor het gemak worden ze op Facebook geplaatst.

Tja, en dan heb je mensen die zich daar aan storen. Maar daar is een oplossing voor gevonden. Het heet “ontvrienden”. Want de mensen met wie jij op Facebook bent verbonden, worden geacht jouw vrienden te zijn. En mensen die jou niet kunnen luchten of zien vanwege de Calvinistische instelling dat selfies maken “not done” is, zijn geen vrienden en horen dus niet op jouw Facebook thuis.

Overigens, er zijn goede hulpverleningsinstellingen voor zulke mensen.

Afstuderen

9 september 2013

rechtbankboteringestraat

Alle lekkere wijven noemden ons “meneer”, de meeste professoren en studiebegeleiders waren jonger dan wij, onze brilsterkten en broekmaten waren met 6 toegenomen, wij rookten bolknaks, onze ouders weigerden, vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, nog langer een financiële bijdrage te leveren aan onze studie, en de studiefinanciering zelf – een instituut dat was opgericht toen wij gingen studeren – was inmiddels zo verouderd dat zij, zeer ten nadele van ons, op de helling moest. Het waren deze subtiele signalen die ons op de gedachte brachten dat het tijd werd om af te studeren. Een goed verstaander heeft maar een half woord nodig.
“Maar als we nu een andere studierichting kiezen?” opperde Verschoor nog. “Filosofie of zoiets?”
Een kleine rekensom (0,00 plus 0,00 is 0,00) leerde ons dat dit geen optie was.

Om ons voor te bereiden op ons afstuderen dienden wij ons voor een gesprek op de faculteit te vervoegen. Die bleek zich al vier jaar lang op een ander adres te bevinden. “Dat kan niet!” zei Verschoor. “Dat zou ons toch zijn opgevallen?”
Ik was het volledig met hem eens. Hier moest sprake zijn van een complot. Een misselijke professorengrap.

Verschoor’s scriptie had de indrukwekkende titel “Zelfregulering – Een pleidooi tot afschaffing van het strafrecht” en die van mij heette “Argumentatie, semiotiek en dramatologie in de rechtspraktijk”. Wij waren er zeker van dat onze scripties zouden inslaan als een bom – summa cum laude was het eerste begrip dat in ons opkwam nadat wij elkaars scripties hadden gelezen – maar daar dacht men op de faculteit anders over. Tweehonderd woorden op een half paginaatje A4 voldeden hooguit als korte inleiding, niet als universitaire afstudeerscriptie.
Het was een afschuwelijke teleurstelling, vooral toen wij vernamen dat wij na ons afstuderen als “juridisch medewerker” nog jaren praktijkervaring op procesrechtelijk terrein zouden moeten opdoen om als zelfstandig strafrechtadvocaat te kunnen werken. Waarom had men ons dat nooit verteld gedurende de twaalf jaar die wij rechten hadden gestudeerd? Het was pure discriminatie. In ons stamcafé de Wolthoorn zag men echt geen enkel verschil tussen ons en onze afgestudeerde collegae.

De tweedejaars studenten die wij opdracht hadden gegeven onze scripties te schrijven, bleken daar, ondanks de riante vergoeding van tweehonderd gulden, zo’n drie weken voor nodig te hebben. Het resultaat was allerbelabberdst; het stond vol met begrippen waar wij nog nooit van hadden gehoord, zoals “deductieve logica”, “analogische wetstoepassing”, “grammaticale interpretatie”, enz. Het kostte ons maanden om enigszins te begrijpen waar onze scripties over gingen, hetgeen kennelijk nodig was om te kunnen slagen. Alweer zo’n belachelijke eis. Elke HBO-student Cultureel Werk kreeg na zijn tijd te hebben uitgezeten te horen dat de diploma’s klaar lagen voor iedereen die vond dat hij daar recht op had. Waarom kon men zoiets niet introduceren op de universiteit?

Toen wij in juni eindelijk onze bul op zak hadden zetten wij het gigantisch op een zuipen. Dat duurde tot half januari, omdat de kerstdagen er tussen zaten. Vervolgens scheidden onze wegen zich op professioneel gebied, want Verschoor kreeg via zijn ouweheer een werkplek bij kantoor Dongemans, Waaldrecht en Dongemans in de Oude Boteringestraat, terwijl ik het moest doen met een slecht betaalde stageplaats bij Winnie de Vries, op het Schuitendiep. Wij zagen elkaar regelmatig in de Wolthoorn en heel af en toe in het pand aan de Parkweg, waar wij beiden nog steeds woonden.

Nadat wij eindelijk als advocaat aan het werk mochten, veranderde ons leven drastisch. In plaats van dag en nacht in de Wolthoorn te zitten en bier te zuipen, schakelden wij over op sterke drank, die wij bij voorkeur nuttigden in de Charles Bar op het Zuiderdiep. Dat kreeg je ervan wanneer communisten zich tot de sociaal-democratie bekeerden. Wij wilden daar geen deel van uitmaken en omhelsden het liberalisme.

Onze cliënten bestonden doorgaans uit doorgewinterde heroïneverslaafden, die meestal op het allerlaatste moment waren toegevoegd, zodat wij geen tijd hadden om hun dossiers te bestuderen. Op een ochtend waren Verschoor en ik samen op de rechtbank en aanschouwde ik in de wachtkamer het volgende tafereel, dat typisch was voor onze dagelijkse praktijk: Verschoor kwam binnen, liep naar zijn cliënt en diens reclasseringsambtenaar, nam een slok oude genever uit zijn zakflacon en zei: “Sorry, we hebben maar vijf minuten voordat de zitting begint; ik weet niets over verslaving. Kunt u mij vertellen wat het verschil is tussen hasjiesj en heroïne?”
“Ik ben fucking dood!” zei de junk wanhopig tegen zijn reclasseringsambtenaar. Ik kon mij voorstellen hoe hij zich voelde, want er stond veel op het spel. De Officier van Justitie had 65 inbraken en berovingen samengevoegd en er hing veel van af. 65 delicten was het magische getal: bij 65 delicten werd de verdachte niet langer na het proces-verbaal naar huis gestuurd, maar kreeg hij een oproep om ter terechtzitting te verschijnen. De rechtbank trok doorgaans een kwartier voor de zitting uit en veertien dagen later kreeg de verdachte het oordeel te horen: vijf maanden hechtenis waarvan twee voorwaardelijk of afkicken in een verslavingskliniek. Uiteraard kozen alle veroordeelden voor de verslavingskliniek, waaruit zij na twee dagen wegliepen, waarna de teller weer op 0 stond en het gewone leven zich voortzette.

Ondanks zijn gebrekkige dossierkennis hield Verschoor een vlammend betoog over drugsverslaving als maatschappelijk probleem dat slechts kon worden opgelost door goede huisvesting, goed onderwijs en vooral door de have-nots in onze kapitalistische samenleving toekomstperspectief te bieden. Wij, de samenleving, hadden gigantisch gefaald, met alle catastrofale gevolgen van dien, en het was not-done om onze frustratie ten aanzien van dit onvermogen af te wentelen op zijn cliënt, de verdachte, die in feite zelf slachtoffer was.
Na de zitting kwam de rechter naar ons toe en zei tegen Verschoor: “Het wordt tijd voor een nieuwe tekst, meester Verschoor. U zingt dit lied nu al drie maanden lang bij elke cliënt, ongeacht de aard van het delict.”
“De kracht zit in de herhaling,” zei Verschoor. “Amandla!”

Die avond, toen wij na enkele genoeglijke uurtjes in de Charles Bar, waar wij het succes van Verschoor’s pleidooi hadden gevierd, viel het ons bij thuiskomst op dat het interieur er anders uitzag dan normaal. Wat het precies was konden we niet zeggen, maar het was anders. Ik inspecteerde mijn kamer en er viel mij niets op. De laden van de kast bevonden zich niet, of slechts gedeeltelijk in de kast, zoals gebruikelijk, en het hoopje schone was lag netjes naast de berg vuile was op de vloer. Toen hoorde ik een schreeuw vanuit Verschoor’s kamer: “Godgloeiendegodverdomme!” riep hij, “ze hebben m’n whisky gejat! Die vuile kolerejunks! Vieze, vuile marihuanaspuiters!”

In deze trieste nacht verloren wij het vertrouwen in de mensheid. Gelukkig was er nog genever.

Jaap van der Wijk

[Geschreven n.a.v. de opdracht van Tommy Wieringa om een kort verhaal te schrijven waarin Verschoor voor komt.]

Daadwerkelijke fysieke arbeid

8 september 2013

emmaviaduct10

Verschoor was tiendejaars en ik achtstejaars student rechten, maar dat had alles te maken met de voortdurend wijzigende wetgeving en niets met onze inspanningen om de studie succesvol af te sluiten.

Op een nacht liepen wij na een bezoek aan ons stamcafé de Wolthoorn in de Turftorenstraat over het Emmaviaduct naar huis. Verschoor’s ouweheer had een pand gekocht aan de Parkweg, als investering, en wij mochten daar wonen. Om belastingtechnische redenen mochten wij geen huur betalen. Dat was maar goed ook, want de gas- en lichtrekeningen waren al hoog genoeg.
Vanaf het viaduct keken wij naar de nieuwe kantoorgebouwen die in de Stationsbuurt verrezen.
“Aanschouw dit tafereel met trots,” zei Verschoor, “en bedenk dat dit zonder ons nooit tot stand zou zijn gekomen.”

Hij had gelijk. Enkele jaren daarvóór bevonden wij ons in erbarmelijke omstandigheden. Alleen maar omdat wij enkele maanden de huur van onze kamers in het kamerverhuurbedrijf aan de Turfsingel niet hadden betaald, waren wij op straat gezet. Wij moesten een bakfiets huren aan het Boterdiep om onze spullen veilig te stellen, hetgeen werd betaald door twee lege kratten bier van de achterkant van een SRV-wagen te halen en die aan de voorkant bij de SRV-persoon in te leveren. Wettelijk gezien was dit niet strafbaar, zei Verschoor, want er werd niets ontvreemd.

Hij belde met zijn ouweheer, maar die was niet bereid ons op enige wijze ter wille te zijn, totdat Verschoor langs zijn neus opmerkte dat er dan niets anders opzat dan weer thuis te komen wonen. Toen had zijn ouweheer binnen 24 uur het pand aan de Parkweg gekocht. Het was een ruime benedenwoning met een tuin. Wij waren volkomen blut en onze house-warming party leverde een hoop drank en voedsel op, hetgeen ons op het briljante idee bracht om wekelijks zo’n feestje te organiseren.

Tot overmaat van ramp had de eigenaar van de Wolthoorn besloten om zijn vaste klanten voortaan geen krediet meer te verstrekken. Schandalig! In de hele geschiedenis van dit etablissement had geen enkele stamgast ooit zijn rekening betaald. Het was een goede gewoonte dat de stamgasten tot het interieur behoorden en hun bijdrage aan het voortbestaan van de kroeg leverden, simpelweg door er te zijn en de niet reguliere gasten te entertainen, met hun dichtkunst, hun filosofie en hun uitzonderlijk intelligente politieke standpunten. Zo was het altijd geweest en zo zou het altijd moeten blijven. Maar de nieuwe eigenaar van onze gezamenlijke woonkamer dacht daar anders over. Er moest geld binnenkomen, vond hij. De proleet!

Aan bijkomstigheden als voedsel besteedden wij nauwelijks aandacht. Doorgaans slaagden wij erin om nog vóór de kassa in de supermarkt ieder zes gevulde koeken te verorberen, waarna het weinig zin had om nog af te rekenen. In onze ijskast konden geen voedingsmiddelen worden opgeslagen, want dan was er geen plaats meer voor het bier. Verschoor stilde zijn honger vaak door een halve fles slasaus leeg te slurpen, hoewel ik had getracht hem duidelijk te maken dat slasaus niet van sla is gemaakt, maar vóór sla.

Op een gegeven moment kwamen wij gezamenlijk tot de conclusie dat er iets moest worden gedaan om onze financiële positie te verbeteren. Verschoor wist zijn ouweheer over te halen om te investeren in fotoapparatuur en een donkere-kameruitrusting, waarmee hij aan de slag zou kunnen als freelance persfotograaf. Hij meldde zich aan bij het Nieuwsblad van het Noorden op het Zuiderdiep en kreeg te horen dat men altijd geïnteresseerd was in bijzondere foto’s met nieuwswaarde. En met die toezegging zat Verschoor’s werk erop. Hij had zijn best gedaan. Nu hoefde hij alleen nog maar de juiste man op de juiste plaats te zijn, en zoiets heb je niet zelf in de hand. De factor toeval speelt daarbij een grote rol.

Omdat er intussen toch brood op de plank moest komen, stelde Verschoor voor dat ik mij als werkzoekende zou aanmelden bij het arbeidsbureau in de Stationsstraat. Het woord “arbeidsbureau” scheen daadwerkelijke fysieke arbeid te impliceren, en wij hadden geen idee wat dat inhield.

Het was verschrikkelijk. De openingstijden van het arbeidsbureau dwongen mij om om zeven uur ’s nachts op te staan en mij na liters koffie en een heel pakje Senior Service naar het gebouw aan de Stationsstraat te begeven en samen met tientallen andere pseudo-werkwilligen te wachten totdat ik aan de beurt was.
“Kunt u bouten vastdraaien?” vroeg de bebrilde dame van onder haar permanent.
“Ik vermoed van wel,” antwoordde ik aarzelend.
“Mooi! Dan kunt u morgen aan de slag,” zei ze triomfantelijk. De sadist.

De stad Groningen had recht op een boost vanuit Den Haag. De werkloosheid in Groningen was hoog en door de hoofdkantoren van een aantal staatsbedrijven of semi-staatsbedrijven naar de stad te verplaatsen, meende men de problematiek te kunnen oplossen. En daarom moesten er enorme kantoorgebouwen verrijzen.

Het zou mijn taak zijn om verwarmingsbuizen aan elkaar te koppelen en aan het plafond te bevestigen. Verschoor zag het probleem en wist dat dit op langere termijn dan een dag niet haalbaar was. Hij zou mij helpen. In de universiteitsbibliotheek bestudeerde hij het wetboek Ziekte- en Ongevallenwet, en hij kwam op een idee.

De volgende dag was ik stipt op tijd op mijn werk. Het was acht uur ’s nachts en ik bevond mij in een enorme hal die ooit tot kantoorruimte zou moeten dienen. Een voorman (what’s in a name?) deed mij voor wat er van mij werd verwacht. Om de verwarmingsbuizen aan het plafond te bevestigen, diende ik op een trap te staan. Ik heb al hoogtevrees als ik op een stoeprand sta. Maar ik zette door, want ik wist dat er hulp op komst was.

Om tien uur was het koffiepauze en de hal stroomde leeg. Niemand wilde de pauze missen. “Kom je?” riep de voorbaas. “Eventjes deze bouten nog vastdraaien,” riep ik terug. “Ik kom er zo aan!”

Verschoor verscheen precies op tijd. Hij maakte foto’s van mij op de trap, terwijl ik aan het werk was.
“Zo, nu van die ladder af,” zei hij. “Gooi die ladder om en ga op de grond liggen.”
Terwijl ik op het koude beton naast de ladder lag, bleef Verschoor foto’s maken. “Blijf liggen!” siste hij.
Ik hoorde nog dat hij naar beneden liep en om hulp riep. Toen viel ik in slaap.

In het Academisch Ziekenhuis werd geconstateerd dat ik geluk had gehad. Niets gebroken. Maar een hersenschudding en ander hersenletsel kon niet worden uitgesloten. Verschoor had mij voorgedaan hoe ik mijn hoofd schokkend naar links moest bewegen om een tic voor te wenden. Het neurologisch onderzoek duurde uren en leverde niets op. Wanneer de hevige pijn in mijn rug zou voortduren, zou ik mogelijk naar het pijncentrum in Utrecht moeten worden overgebracht. Maar zover was het nog niet.

Verschoor had de foto’s ontwikkeld, maar bij het Nieuwsblad hadden ze geen belangstelling omdat de nieuwswaarde te gering was. “Wacht maar, dit gaat ons miljoenen opleveren,” zei hij, maar toen hij de foto’s aan het verwarmingsbedrijf liet zien en drie miljoen gulden schadevergoeding eiste, werd hij prompt op straat gezet. “U hoort nog van mij en mijn cliënt!” riep hij.

De arts van het GAK verklaarde dat ik voorlopig niet mocht werken. Een jaar later, nadat Verschoor mij in een rolstoel bij de keuringsarts naar binnen had gereden, werd ik volledig arbeidsongeschikt verklaard. “Ik wens u veel sterkte in de toekomst,” zei de arts bij het afscheid.

Nu onze financiële toekomst was gegarandeerd, hadden Verschoor en ik dit heuglijke feit gevierd met een bezoek aan de hoeren en een avondje doorzakken met vrienden in de Wolthoorn. En nu stonden we hier, op het Emmaviaduct.
‘Kijk er nog maar eens goed naar,” zei Verschoor. “Dit alles hebben ze aan ons te danken, aan onze inspanningen. Prachtige gebouwen, met arbeidsplaatsen voor duizenden!”
Een overweldigend gevoel van trots maakte zich van mij meester, en ik pinkte een traan weg.
Boven de Europaweg kwam de zon op.

Jaap van der Wijk

[Geschreven n.a.v. de opdracht van Tommy Wieringa om een kort verhaal te schrijven waarin Verschoor voor komt.]

 

 

Stappen met Verschoor

7 september 2013

vindicat1977We waren zoals gebruikelijk begonnen met het leggen van een stevige bodem. Nasi moest het worden en op de menukaart van Chinees-Indisch restaurant Wenchow in de Gelkingestraat zagen we dat de keuze in dat geval was beperkt tot nasi gewoon, nasi met ei en nasi speciaal. Verschoor bestelde nasi met ei en een halve portie saté, maar Frits de ober zei dat dit hetzelfde was als nasi speciaal en dat we het verschil beter aan hem konden geven, als fooi.
“Puik idee,” zei ik. “Twee nasi speciaal graag, Frits, en twee biertjes.”

Bij de Bé Bar in de Bruine Ruiterstraat was het rustig. Bé zelf, Herman en de tweeling speelden blufpoker, dus wij konden nog meedoen. Van Bé mocht er alleen gedobbeld worden om een rondje, maar in bar Las Vegas in de Carolieweg speelden we met dezelfde ploeg vaak om honderden guldens. Als je dan moest pissen liet je het spel geen moment uit het oog en zeek je in de rode velours gordijnen, hetgeen Bé in zijn kroeg niet op prijs stelde.
Nadat Verschoor twee rondjes had verloren besloten we onze tocht te vervolgen. De avond was nog lang.

In de Diana bar in de Pelsterstraat genoten we van de conversatie tussen een zeer dronken prinses Marijke, a.k.a. Christina, en haar tijdelijke geliefde, een jong kalende bakkersknecht annex broodbezorger bij de 3B bakkers, Bolt, Brands en Bus. Uit het gesprek viel op te maken dat de bakkersknecht veel meer deed dan alleen brood bezorgen aan het adres van de prinses in de Jozef Israëlsstraat.
Luisteren naar dronken mensen als je zelf net bent begonnen is doorgaans tamelijk vervelend, dus vroegen we de barkeeper wat hij – behalve hoofdpijn – van ons kreeg en liepen we via de hoeren in de Nieuwstad naar de Folkingestraat, en vandaar in noordelijke richting.

In de Flamingo bar in de Grote Kromme Elleboog was het ook al rustig, en dat was de enige reden waarom Verschoor en ik zonder stropdas werden toegelaten. Hier sprak men de barkeeper niet met de voornaam aan. Het was “meneer Brinksma” en anders niets. Normen en waarden zijn leuk en aardig, maar worden in liberale kringen gemakkelijk terzijde geschoven wanneer er brood op de plank moet komen. Dus tolereerde meneer Brinksma dat wij “niet gekleed” gingen en dat wij hem “Henk” noemden.

Nadat wij onder het genot van enkele biertjes het liberale gedachtegoed vernietigend onderuit hadden gehaald en de directeur van Amstel bier recht in zijn gezicht hadden beschuldigd van diefstal, werd het tijd om naar de Wolthoorn in de Turftorenstraat te gaan. In dit broeinest van het socialisme en het communisme voelden wij ons pas echt thuis. Verschoor, die niet kon biljarten, verloor gigantisch van Ypke, die inmiddels al anderhalf liter jonge genever achter de kiezen had maar overeind werd gehouden door droge worst. Nergens was de droge worst harder en lekkerder dan in de Wolthoorn. Jean-Pierre was bereid een monoloog met mij aan te gaan over de zin van het leven, zolang ik hem vrij hield. Het was weer gezellig, als vanouds.

In de Cherry bar in de Oude Kijk In’t Jatstraat mochten wij het beleven dat Elske en Pim gezamenlijk “It’s My Party And I Cry If I Want To” zongen. Het was hun “finest hour”, vonden Verschoor en ik, want qua politiek inzicht stelden deze academici niets voor. Zij zouden nooit enige rol van betekenis spelen in de regionale of landelijke politiek. Een zangcarrière was alles wat er voor hen scheen weggelegd.

Nadat wij vanwege het beledigen van de cliëntele tamelijk hardhandig uit de Cherry bar waren verwijderd, werd het tijd om naar de Zanzibar achter het Nieuwsblad te gaan. Men kende ons daar, niet als de oorspronkelijk uit Amsterdam afkomstige schoffies die wij waren, maar als Engelse heren van stand. Verschoor en ik waren na het genot van vele liters bier ware meesters in het spreken van deftig Engels, en aldus werd ons acteertalent in dit duistere etablissement regelmatig op de proef gesteld, ter leeringh ende vermaeck van niemand uitgezonderd onszelf.

Deze nacht leidde ons “posh accent” ertoe dat wij in no time slaande ruzie hadden met een stel zeelieden uit Newcastle. Waren wij niet in het bezit geweest van boksbeugels van een uitstekende kwaliteit ijzer uit Sheffield, dan hadden wij dit gevecht ongetwijfeld verloren.

Na deze onverwachte lichaamsbeweging zochten wij ons heil bij het dronken gepeupel dat zich voor de automatiek van het Amsterdams Broodjeshuis tegoed deed aan gefrituurde schouderkarbonaden en halve kippen. Je kunt tenslotte alleen maar stevig drinken als je er bij eet. Terwijl wij ons tegoed deden aan de vers uit de frituur in de vakjes gedeponeerde schouderkarbonaden zagen wij dat er drie ambulances bij de Zanzibar arriveerden. Het gerucht ging dat er een gevecht was geweest tussen een groepje Engelsen.
“Het is toch wat,” zei Verschoor.

Als rechtenstudenten die zich hadden voorgenomen het begrip sociale advocatuur op spectaculaire wijze nieuw leven in te blazen, paste het ons uiteraard niet om lid te zijn van het studentencorps, maar dat belemmerde ons niet om het Vindicat regelmatig met een bezoek te vereren wanneer de bodem van de schatkist in zicht was. Onderweg naar de Grote Markt verdiende ik in bar de Commodore in de Oosterstraat drie biertjes voor Verschoor en mijzelf door achter de piano plaats te nemen en “Strangers In The Night” te vertolken. Daarna was de cliëntele het zat en moesten wij betalen of ophoepelen.

In de hal van het Vindicat zochten Verschoor en ik in de garderobe een geschikte blauwrode sjaal uit, die wij losjes om onze nek hingen om voor Vindicaters te kunnen doorgaan. Vervolgens liepen wij zo nuchter mogelijk de trap op naar de zaal, zochten een groepje dronken studenten op, mengden ons in het gesprek, en lieten ons genoegzaam en ongegeneerd fêteren.
Na te hebben geassisteerd bij het naar beneden gooien van de piano vanaf het balkon op de eerste verdieping dronken wij nog een aantal biertjes en verlieten wij de sociëteit.

“We kunnen twee dingen doen,” zei Verschoor nadat hij zijn geld had geteld. “We kunnen nog een afzakkertje nemen bij Zuidema, of we kunnen naar huis gaan.” Daar hoefden wij geen moment over na te denken, dus liepen wij naar het café van Albert Zuidema in de Mauritsstraat, dat zojuist, om zes uur ’s ochtends, zijn deuren had geopend. Nadat Albert ons van twee alleraardigste biertjes had voorzien ging hij verder met het bedienen van zijn stamgasten: alcoholisten van het zuiverste vuurwater, die hun eerste borrels van de dag alleen konden drinken door het gevulde glas in de rechterhand te nemen, samen met de rechterpunt van een van Albertwege verstrekte theedoek, die achter de nek langs over de schouders ging en naar de mond werd bewogen door de linkerpunt in de linkerhand neerwaarts te trekken. Na twee, drie borrels was het beven en trillen over en kon men de borrels zonder theedoek nuttigen. Anders was het drankmisbruik.

Terwijl het leven in de stad op gang kwam en mensen zich op de fiets naar hun werk begaven, liepen Verschoor en ik langs de gracht, onderweg naar het kamerverhuurbedrijf waar wij woonden. Eenmaal daar gearriveerd hoefde Verschoor slechts één trap op. Hij woonde op stand, met uitzicht op de Martinitoren en de Gardepoort. Ik moest nog een trap op. Toen ik uit mijn dakraam keek, zag en rook ik de loodsen van W.A. Scholten’s stroopfabriek en suikerraffinaderij, en kon ik eindelijk eens lekker over mijn nek. Vanuit het toilet op de eerste verdieping hoorde ik dat Verschoor in een eendere exercitie was verwikkeld. Het leven was goed.

Jaap van der Wijk

[Geschreven n.a.v. de opdracht van Tommy Wieringa om een kort verhaal te schrijven waarin Verschoor voor komt.]

 

Wat zouden we doen in Nice?

14 augustus 2013

 

nice-affiche
“Wat zouden we doen in Nice,” vroeg mijn vriendin Cecile mij onlangs, toen ik weer eens verhaalde over mijn geliefde stad, waar ik van 1974 tot 1984 zo’n vier maanden per jaar woonde en van 2007 tot en met 2010 permanent.
Ik zou al vroeg beginnen met het reserveren van een vakantie-appartementje van zo’n 35 à 50 vierkante meter, groot genoeg voor twee mensen gedurende een aantal weken. De locatie zou ergens tussen de haven (Port de Nice) en Boulevard Gambetta moeten zijn, maximaal 10 minuten lopen van de Middellandse Zee. Een appartement in de oude stad (Vieux Nice, of La Veille Ville) zou perfect zijn, maar ik ben geen liefhebber van trappen lopen en liften zijn daar schaars. Verder zou er een gasfornuis moeten zijn; ik kook liever niet electrisch en elke dag uit eten kan tamelijk prijzig zijn.

nicebus1

Nee, we zouden niet met de auto gaan. In de eerste plaats omdat dat duur is, en in de tweede plaats omdat een auto in Nice niet handig is. Je kunt ‘m niet kwijt en het openbaar vervoer heeft een actieradius van zo’n 60 kilometer. Voor vier euro per dag reis je onbeperkt in alle richtingen, voor één euro reis je maximaal 60 kilometer in één richting. Met de bus of de tram. Dus voor 1 euro reis je bijvoorbeeld van Nice naar Monaco of Menton, naar Grasse of Cannes.
We gaan dus met het vliegtuig. Transavia vanaf Rotterdam of Amsterdam, of Easyjet vanaf Brussel.

Nice_plage

Na de bagage te hebben uitgepakt zouden we gaan chillen aan het strand en genieten van een goedgekoelde Chablis op één van de vele strandterrassen. Wellicht zouden we daarna onbeperkt mosselen gaan eten in het mosselrestaurant aan de Cour Saleya, voor een tientje per persoon, inclusief stokbrood en sauzen, exclusief wijn.
Rond half elf ’s avonds zijn we wel uitgegeten en verplaatsen we ons naar de Ierse pub, of naar La Havane, in de Rue de France. Vanaf een uur of twaalf, één vermaken we ons in de Shapko Jazz Bar van Margit en Dimitri, in Rue Rossetti. Om een uur of vier ’s nachts lopen we huiswaarts.

vieux nice

De volgende ochtend, om een uur of elf, haal ik verse croissantjes van de bakker en lekkere kaasjes en salami van de supermarkt. We ontbijten op het balkon en drinken daarna een espressootje (“un petit café”) op een terras. Dan lopen we naar de bushalte en nemen we de bus naar Cimiez.

Pétanque spelen in het park van Cimiez, bij het Matisse museum.

Pétanque spelen in het park van Cimiez, bij het Matisse museum.


A Visit To Cimiez

Het zou wat te ver gaan om de rest van ons verblijf van uur tot uur te plannen, maar hieronder volgen wat tips voor tripjes in de buurt, van blogs die ik eerder (in het Engels) heb geschreven.

Nice heeft een rijke geschiedenis. Ik heb er een blog over geschreven, met de beschrijving van een wandeling door de stad, waarin plaatsen van historisch belang worden bezocht.

rossettipainting

My Guided Tour – A History Of Nice

Vlakbij Nice ligt Villefranche-sur-Mer. Daar, in St. Jean, bevindt zich de Villa Nellcôte, waar Keith Richards en zijn gezin woonden en waar de Rolling Stones hun LP “Exile In Main Street” opnamen. Ik schreef er een blog over.

nellcote7

Villa Nellcôte – Birthplace of Exile In Main Street

Niet ver daar vandaan ligt Beaulieu, en in Beaulieu vinden we de Griekse villa Kerylos. Een gebouw met een bijzondere geschiedenis.

beau15a

Beaulieu and the Greek Villa Kerylos

Wellicht hebben we tijd voor een dagje in de Provence. De bus brengt ons ernaartoe.

prov14

A Day in the Provence

We zijn terug in Nice en blijven vandaag dicht bij huis. We brengen een bezoek aan de Port , het Quartier des Antiquaires en Village Segurane.

seg27

Quartier des Antiquaires

Op twee minuten afstand komen we op het Place Garibaldi, waar we uiteraard oesters eten in het befaamde Café de Turin.

cafedeturin

Place Garibaldi

Mochten we geen appartement met lift in Vieux Nice hebben kunnen bemachtigen, dan kunnen we niet vertrekken zonder een dag in de oude stad te hebben doorgebracht.

pr3

Rue Rossetti & Place Rossetti

Dit is slechts een kleine selectie van de mogelijkheden. Via bovenstaande links kun je nog veel meer blogs van mij over Nice en omgeving vinden.

VERHULLEND TAALGEBRUIK LEIDT NIET TOT DUIDELIJKE VOORLICHTING

2 augustus 2013

 

prozzie

Pooiers heb je in alle soorten en maten, en in alle leeftijden. Pooier is hetzelfde als souteneur, en daar zegt de Grote Van Dale het volgende over: “Iemand die leeft van de verdiensten van een prostituée, voor wie hij als beschermer optreedt.”

Moderne pooiers maken gebruik van het internet. Met allerlei versiertrucs proberen zij meisjes zover te krijgen om hun prostituée (hoer) te worden. Dat is duidelijke taal.

De overheid noemt deze pooiers echter “loverboys”, en de versiertrucs om een meisje de hoer te laten spelen worden “grooming” genoemd. Dit verhullend taalgebruik leidt niet tot duidelijke voorlichting. Integendeel.

“Loverboys” hebben niets met “love” (liefde) te maken. Het zijn ordinaire pooiers.
“Grooming” is “verzorgen”, “een keurig uiterlijk geven”, “voorbereiden op een loopbaan”. Terwijl in werkelijkheid een meisje door een pooier op slinkse wijze wordt voorbereid op een troosteloos leven als hoer.

Overheid: zeg waar het op staat. Met de huidige voorlichting doet u meer kwaad dan goed.

Hoog Hullen

13 december 2012

hooghullen

Om als niet-exbewoner staflid te kunnen worden in de hiërarchisch gestructureerde therapeutische gemeenschap (HGTG) Hoog-Hullen, moest je daar een maand verblijven als bewoner. Vier weken lang geen contact met de buitenwereld, vier weken lang zonder je gezin, vier weken lang zonder drank.

De reden voor mijn aanwezigheid was geheim. Er waren problemen op Hoog-Hullen. Er was een algemeen directeur, die de leiding had over de hele stichting (Hoog-Hullen, Breegweestee en Beukema kliniek), er was een medisch directeur (laten we hem de goeroe noemen), en er was een coordinator. De staf bestond uit professionals (mensen met een geschikte opleiding) en para-professionals (ex-verslaafden, ook ervaringsdeskundigen genoemd). De dagelijkse gang van zaken werd grotendeels overgelaten aan de bewoners zelf, onder leiding van zogenaamde gangmakers – bewoners die hun therapie bijna hadden afgerond.

Om het probleem samen te vatten: er waren twee groepen stafleden, de professionals en de para-professionals, die er elk hun eigen werkwijze op nahielden. De para-professionals werden niet alleen gesteund door de goeroe, die af en toe naar Amerika vloog om er nieuwe inspiratie op te doen, maar ook door de meeste oudere bewoners. In de opvatting van de professionals was er duidelijk sprake van indoctrinatie, en op termijn zou deze vorm van hersenspoeling niet het gewenste resultaat hebben, want de maatschappij is nu eenmaal heel anders dan de cultuur in een HGTG.

Om elkaar te confronteren was er de “pak-aan”. Je liep dan naar een bewoner of een staflid toe en zei op luide toon: “Henk, wil jij even gaan staan? Henk, dit is een pak-aan! Ik baal er ontiegelijk van dat jij je onttrekt aan je leerervaring! Jij hebt de leerervaring positivo omdat jij de therapie niet serieus neemt! En als jij de therapie niet serieus neemt, dan neem je jezelf niet serieus! Einde pak-aan.”

De aangesprokene moest dan “dank je wel” zeggen.

In de stadsbus of in de kroeg werkt dit niet, en kun je het “dank je wel” gevoegelijk vergeten. Een stoot voor je ros kun je krijgen.

’s Avonds en in het weekend was er geen professionele staf aanwezig. Dan hadden de para-professionals en de bewoners het rijk voor zich alleen. De indoctrinatie kon dan ongestoord in alle hevigheid doorgaan. De algemeen directeur had daar geen enkele invloed op, omdat hij niet in het pand werkte, en wilde graag een andere cultuur doorvoeren, maar op basis van feiten. En die feiten moesten van binnen de cultuur komen. Het was mijn taak om die feiten te verzamelen.

Wanneer er met enige regelmaat sprake is van zelfmoord van bewoners of ex-bewoners, dan is dat zeer ernstig en is het zinvol om de omstandigheden zorgvuldig te onderzoeken.

Bob was eerste stuurman op de grote vaart, de één na hoogste leidinggevende functie op een groot schip. Hij kwam uit Tilburg, en had een alcoholprobleem. In een dronken bui had hij in Tilburg gevochten met een portier van een nachtclub, en zijn reclasseringsambtenaar had hem aangeraden om naar Hoog Hullen te gaan en van de drank af te komen.

Bob had pas een nieuwe vriendin, hij wilde zijn leven beteren, dus volgde hij het advies op. Op Hoog Hullen had hij het moeilijk, want hij moest – net als iedereen – van de grond af opnieuw worden opgebouwd. In een overall rondlopen, vloeren dweilen, tuin spitten, enz. Geen contact met buiten. Bevelen opvolgen van mensen die je in de buitenwereld niet zou willen kennen. Wanneer Bob zich verzette, kreeg hij de leerervaring wasteil. De gangen schoonmaken met een tandenborstel, en wanneer hij klaar was liep de tuinploeg met modderlaarzen door de gang (op bevel van de gangmakers) en kon Bob opnieuw beginnen.

Zijn vriendin verlangde naar hem en begreep niet waarom Bob geen contact met haar opnam. Bob wilde het goed doen, wilde bewijzen dat hij de therapie kon afmaken, maar wilde zijn vriendin niet kwijt. Gesprekken met de para-professionele stafleden leverden niets op. Hij mocht geen contact hebben met zijn vriendin. Bob wilde weg, maar kreeg te horen dat hij zonder Hoog Hullen niets was, dat Hoog Hullen zijn laatste strohalm was, dat hij zonder Hoog Hullen binnen de kortste keren dood zou gaan. Bob besloot te blijven.

Er was één uitzondering op de regel dat je geen contact op mocht nemen met de buitenwereld, en dat was wanneer je voor de rechter moest verschijnen. De zitting waar Bob zich moest verantwoorden voor de mishandeling van de portier vond plaats in Den Bosch. Bob werd begeleid door Jan-Hein, een oudere bewoner van Hoog Hullen, die moest opletten of Bob zich aan de regels hield.

“Luister Jan-Hein, ik MOET contact hebben met mijn vriendin, zij is alles voor mij! Alsjeblieft, beloof me dat je niets zult vertellen!”

Jan-Hein beloofde plechtig zijn mond te zullen houden. Bob belde zijn vriendin, legde de situatie uit, en zij kwam naar Den Bosch.  Ze begreep niets van de regels van Hoog Hullen, snapte niet waarom hij niet naar een normaal afkickcentrum was gegaan, en vond het moeilijk om begrip voor Bob op te brengen.

“Lieverd, ik mag snel contact met je opnemen, en dan mag je zelfs op bezoek komen,” zei Bob. Ze knikte.

De rechtbank wilde Bob een kans geven, op voorwaarde dat hij de therapie in Hoog Hullen afmaakte.

Terug op Hoog Hullen begaf Jan-Hein zich onmiddellijk naar de para-professionele staf om op te biechten wat Bob had gedaan. Die lichtten de gangmakers in, en het gevolg was dat Bob weer een leerervaring wasteil kreeg. Terug in de overall, weer vloeren boenen, geen privileges, geen contact met de buitenwereld.

Pak-aans van de bewoners. Hij mocht de groep in. Met een honkbalknuppel op kussens slaan, om zijn agressie kwijt te raken. Daarna de hugs van de groepsleden. “Mag ik je even vasthouden?”

Geveinsde warmte, Bob had er geen behoefte aan. Hij pakte zijn spullen en liep de streep over. Er was geen terug. Hij reisde naar Tilburg, probeerde aan zijn vriendin uit te leggen wat er was gebeurd, maar zij snapte het nog steeds niet. Ze moest nadenken over hun relatie en wilde hem voorlopig niet meer zien. Bob kocht een fles whiskey en ging naar huis. Hij dronk de fles leeg, plakte de ramen en deuren af, stak het gasfornuis aan, dronk zijn glas leeg, en stak een sigaret op…

De moraal van het verhaal is dat Bob de mogelijkheid moest hebben gekregen om te praten met professionele stafleden die niet waren geïndoctrineerd, mensen die niet geloofden dat Hoog Hullen met al haar regeltjes de enige manier was om zijn leven te veranderen, mensen die geloofden dat een goede relatie één van de mogelijkheden is om het leven een nieuwe wending te geven, mensen die vertrouwen hadden in de mens Bob, in plaats van in het instituut Hoog Hullen.

Uiteindelijk moest de algemeen directeur erkennen dat de macht van de goeroe en de para-professionals samen te groot was om significante veranderingen te kunnen doorvoeren in het systeem van de HGTG. Aangezien ik absoluut geen aanhanger ben van dit systeem, nam ik ontslag en bracht ik mijn rapport uit.