Skip to content

De Noordzee

12 februari 2011

 

 

De Noorzee in de advertenties van Van Nelle zware shag

Als de westenwind aanhield, zouden zij over een dag of drie aankomen in Rotterdam. Tot dusver was de reis prima verlopen. Twaalf dagen eerder, op dinsdag 26 mei 1970, waren zij uit New York vertrokken en nu hadden zij de zuidkust van Ierland gepasseerd en bevonden zij zich in dat gedeelte van de Atlantische Oceaan waar de Keltische Zee begint. Zij waren nog een dikke honderd mijl van Land’s End verwijderd.

Feyenoord had de Europa Cup gewonnen, dat wisten zij inmiddels via de marifoon van Hollandse vissersschepen die zij voor de Ierse kust hadden gezien.

De windkracht was vijf à zes en het schoot lekker op. De golfslag was lang en aangenaam. Karel Smit zette een grote, hoge pan met water op het fornuis en zette de pan klem met ijzeren latten, om te voorkomen dat zij zou gaan schuiven, of van het fornuis zou glijden. De pan was maar voor een kwart gevuld, want anders zou het water eroverheen klotsen. Karel begon de aardappelen te schillen. Normaal gesproken at je aan boord ’s middags warm, maar de kapitein, Willem de Ridder, een slanke geheelonthouder uit Goes, was gewend om ’s avonds warm te eten en zijn woord was wet. De soep was al klaar, die hoefde Karel alleen maar op te warmen.

De stuurman kwam de kombuis binnen. `Dag chef, wat eten we vandaag?’

`Stamppot rauwe andijvie met speklappen, stuur.’

`Klinkt goed.’

`Wat ben je vroeg op, stuur.’ De stuurman had van zes uur ’s ochtends tot twaalf uur ’s middags wacht gelopen en was daarna de kooi ingedoken. Om zes uur die avond was hij weer aan de beurt.

`Ik moet de meester even helpen. Er zijn wat problemen met de motor.’

`Niks van gemerkt.’

`Nee, volgens mij is het ook maar een kleinigheidje.’

Nadat Karel de aardappelen had opgezet, sneed en waste hij de andijvie en kruidde hij de speklappen. Vervolgens maakte hij acht theedoeken nat, die hij op de tafels van de officiersmess en de manschappen-messroom legde. Zodoende kon je rustig een bord soep en een pan op tafel zetten, zonder dat de hele handel met de eerste de beste rare golf op de vloer belandde.

Na het eten vertrok de kapitein naar zijn salon. Zijn dienst zat erop; om twaalf uur ’s nachts zou hij de stuurman weer moeten aflossen. Klaas Pot, de matroos die zijn roerganger was geweest, dook eveneens de kooi in. Karel at in de officiersmess, bij de kapitein, de stuurman en de machinist, en het was hem opgevallen dat de meester, een zeer zwijgzame Groninger, zorgelijk keek. Later vroeg hij aan Jantje van Beveren, de leerling-machinist, of er soms problemen waren.

`Lekke pakkingen,’ antwoordde Jantje.

`O juist,’ zei Karel. Hij had geen flauw idee. `We verzuipen toch niet, hè?’

`Welnee joh, dat heeft niks met lekke pakkingen te maken.’

Om acht uur ’s avonds ging hij met een pot koffie en drie mokken op een dienblad naar boven, naar de brug. Hij moest buitenom, via het dek, want die ouwe stond niet toe dat je door zijn salon liep. Dat was privéterrein.

Jaap de Jong stond aan het roer. De stuurman tuurde naar het radarscherm. `Ha, de koffie!’ zei Jaap.

Karel dronk ’s avonds altijd een bakkie mee in de stuurhut. De andere opvarenden lagen dan al in hun kooi of genoten op andere wijze van hun vrije tijd, dus de messrooms waren op dat tijdstip verlaten. Karel hield van de zee, die eindeloze vlakte. Hij had altijd stuurman (en daarna kapitein) willen worden, maar omdat zijn wiskundeknobbel zeer onderontwikkeld was, had hij de zeevaartschool vroegtijdig moeten verlaten en was hij een opleiding tot scheepskok gaan volgen.

`Liggen we nog op schema?’ vroeg hij aan de stuurman.

`Jazeker, de wind trekt wat aan. Over drie dagen drinken we een pilsje op de Kaap.’

Na voor de twee maal koffie te hebben te hebben ingeschonken, vroeg Jaap of de stuurman het roer even wilde overnemen, want hij moest naar het toilet.

`Laat maar, ik neem het wel over,’ zei Karel. `Wat is de koers?’

`Drieënzeventig,’ antwoordde Jaap.

Karel was vroeger ook matroos geweest en hield de coaster keurig op koers. Even later kwam Jaap weer in de stuurhut. `Rook nog maar even een peuk en drink rustig je koffie op,’ zei Karel. `Ik neem het nog wel even waar.’

Om negen uur begaf hij zich naar beneden. Hij waste de koffiekopjes af, spoelde de koffiepot om, haalde nog een doek over het werkblad en ging naar zijn hut, die pal boven de machinekamer lag. Het monotone gedreun van de hoofdmotor stoorde hem al lang niet meer. Hij viel er zelfs heerlijk op in slaap.

Karel schrok wakker toen zijn transistorradio door de hut vloog en op de vloer belandde. Hij had het ding toch goed zeevast gezet. Hij merkte dat het schip behoorlijk tekeer ging en dat de motor rare geluiden maakte. Snel kleedde hij zich aan. Hij keek op zijn horloge; het was tien over vier ’s nachts. Haastig liep hij de trap op. In de kombuis was het een lawaai van jewelste, het kommaliewant klapperde tegen elkaar aan. Hij haalde de opscheplepels en het aanzetstaal van de haakjes en legde ze in een la. Vervolgens begaf hij zich aan dek. Het stormde en de wind blies zeewater in zijn gezicht. Hij liep de trap naar de brug op en moest zich stevig vasthouden, om niet van boord te worden geslagen. Hij deed de deur van de stuurhut open, ging naar binnen, maar kon de deur bijna niet meer dichtkrijgen, zo hard waaide het.

`Goedemorgen, wat een weer hè?’

Bennie Achterberg, de roerganger, grijnsde wat, maar de kapitein zei niets. Hij stond met zijn rug tegen het raam van de kaartenkamer en keek stil voor zich uit. Dat was niets voor Willem de Ridder, die altijd goedlachs, altijd optimistisch en altijd zelfverzekerd was. Het leek Karel verstandig om zijn mond te houden.

De zee ging tekeer, grote golven sloegen over het dek. Bennie klemde zich aan het roer vast, de kapitein en Karel gebruikten de verwarmingselementen aan bakboord en stuurboord als houvast.

`Hoe lang is dit al bezig?’ vroeg Karel aan Bennie.

`Een half uurtje of zo. De meester en Jantje zijn in de machinekamer en proberen de motor te repareren, maar om dat goed te kunnen doen moet de motor worden stilgelegd, en dat kan niet met dit weer.’

`Waarom niet?’

`Ja, het kan natuurlijk wel, maar dan gaat het schip zo tekeer dat ze daar in de machinekamer niets kunnen doen.’

`O. Zal ik koffie gaan zetten?’

`Graag.’

Karel liep zo goed en zo kwaad dat ging naar beneden en kwam kletsnat in de kombuis aan. Hij maakte zich ernstig zorgen. Zo had hij de kapitein nog nooit meegemaakt. Zij hadden al vaker met penibele situaties te maken gehad, maar dan was Willem altijd de rots in de branding. Als je naar hem keek wist je zeker dat alles weer op zijn pootjes terecht zou komen, hoe slecht het er ook voor stond.

Maar nu was dat niet het geval. De kapitein leek wel apathisch en hij had geen kleur meer in zijn gezicht.

Nadat Karel het water voor de koffie op het vuur had gezet, begaf zich naar de machinekamer om te vragen of de meester en Jantje ook koffie wilden. De machinist en zijn leerling waren koortsachtig aan het werk en zaten van top tot teen onder de smeerolie.

`Nu niet!’ schreeuwde de meester, die probeerde het lawaai van de motor te overstemmen. `We hebben het veel te druk!’ De doorgaans zo stoïcijnse Groninger leek op het punt van een zenuwinstorting te staan.

Het werd licht. Het was maandag 8 juni 1970. Nergens was land in zicht. De storm was gedraaid van west naar westnoordwest en bulderde onvermoeibaar voort. Om vijf over acht begaf de motor het. Het schip werd woest heen en weer geslingerd op de hoge golven en leek af en toe naar de bodem van de oceaan te worden gesleurd, om even later toch weer boven te komen, waarna de zee haar wrede kat-en-muisspel hervatte. Omdat het schip geen voortgang meer had, was het volkomen stuurloos. Het had geen enkele zin om het vaartuig met de kop op de golven te leggen en zodoende het slingeren te verminderen, want dat lukte gewoon niet. Het schip reageerde niet meer op het roer.

Nu de motor het niet meer deed, konden de meester en Jantje proberen het ding te demonteren en te repareren. Om tien uur bracht Karel de koffie boven.

De storm woedde zo hevig dat de kapitein zijn mensen toestemming gaf om zich door de salon naar de brug te begeven. Dat was nog nooit eerder gebeurd. De opvarenden kregen daardoor de indruk dat de kapitein dacht dat het er allemaal niet meer toe deed en weldra kwamen zij erachter wat de mogelijk oorzaak daarvan was. De stuurman had uitgerekend dat zij met deze wind en stroom rechtstreeks naar de Scilly Eilanden werden gestuwd. De Scilly’s bestonden uit hoge rotsen. In vroeger tijden maakten de bewoners van de eilanden er een gewoonte van om schepen opzettelijk op de klippen te laten lopen, door middel van valse lichtbakens, om vervolgens de vracht buit te kunnen maken. Wanneer de motor niet op tijd gerepareerd was en de wind niet radicaal draaide, zou het schip met stellige zekerheid op de rotsen lopen en met man en muis vergaan.

Om vijf over tien kwam de meester naar boven om te vertellen dat de motor niet kon worden gerepareerd. De Scilly’s waren op de radar al in zicht.

Om veertien over tien liet de kapitein een noodoproep uitgaan.

`Mayday, mayday, mayday,’ riep de stuurman in de telefoonhoorn. `This is Dutch motorvessel Lauwers, do you receive us, over?’

Na enige tijd kwam er bericht van de Britse zeesleper Diana. Men was onderweg naar ons toe en wilde onze exacte positie weten. Om vijf voor twaalf meldde de Diana zich wederom. Het speet de kapitein van de zeesleper, maar hij zag zich genoodzaakt terug te keren in verband met het slechte weer.

Alle opvarenden bevonden zich boven in de stuurhut. De verslagenheid was groot. Niemand sprak een woord. De Scilly Eilanden waren in zicht; grote, bruine rotsen doemden langzaam voor hen op.

Er was niets meer aan te doen. Geen schip zou nog op tijd kunnen komen om hen te redden. De Lauwers zou met kapitein en bemanning ten onder gaan. Desondanks bleef de stuurman noodberichten verzenden.

`Mayday, mayday, mayday,’ dat was het enige wat je in de stuurhut hoorde. Niemand sprak verder een woord.

Om twintig voor één kwam er een reactie. `Goedemiddag Lauwers, jullie hebben het wel getroffen zeg. Wat een weertje hè?’

`Dit is de Lauwers, met wie heb ik het genoegen?’ vroeg de stuurman mat. Hij dacht dat het een of andere grappenmaker was.

`Lauwers, dit is de zeesleper Noordzee. Wij zijn bezig met een proefvaart en onderweg van Schiedam naar Beaumont, Texas, in de Golf van Mexico. Als jullie op de radar kijken, zal je zien dat wij vlak bij jullie in de buurt zitten. Wij komen wel even een handje helpen.’

Er ging een gejuich in de stuurhut op. Zij zouden worden gered!

`Noordzee, mag ik jullie verzoeken een beetje op te schieten? Die rotsen komen nu wel akelig dichtbij,’ zei de stuurman.

`Wij zijn binnen een uur bij jullie. Houd moed.’

Inmiddels was er een reddingsboot onderweg, maar het was duidelijk dat die nooit op tijd zou kunnen komen.

Karel begaf zich voor de zoveelste keer die dag naar de kombuis om koffie te zetten. Eerder had hij een paar maal het gevoel gehad dat het wel eens de laatste keer zou kunnen zijn, maar nu had hij al zijn hoop op de Noordzee gevestigd. Plotseling zag hij schuin achter de Lauwers een groot schip. Dat kon de Noordzee toch niet zijn? Zeeslepers waren toch niet zo groot?

Het was de Noordzee. Karel liet zijn tranen de vrije loop. Toen hij weer boven op de brug kwam, zag hij dat iedereen stond te janken en te sniffen, zelfs de kapitein. De stuurman was via de marifoon druk in gesprek met de kapitein van de zeesleper.

Even later nam de kapitein het roer over en haastten de stuurman en de matrozen zich naar de voorplecht, om de sleeptrossen te bevestigen. De opvarenden van de twee schepen zwaaiden naar elkaar.

`Wat lach jij nou?’ schreeuwde Karel naar een matroos van de Noordzee.

`Wat wil je, Feyenoord heeft de Europa Cup gewonnen!’ riep deze terug.

Nadat de sleeptrossen waren bevestigd, zakte de wind, om even later helemaal weg te vallen. Het werd mistig. De Noordzee sleepte de Lauwers naar het Bristol Channel, met een snelheid van zestien knopen. Zo’n vaart had de Lauwers op eigen kracht nog nooit gemaakt, want met een mijltje of negen had je het wel gehad. De Scilly’s verdwenen in de mist.

In het Bristol Channel werd de taak van de Noordzee overgenomen door de havensleper Sheila, die de Lauwers naar Milford Haven sleepte. Daar werden zij aan de kade opgewacht door plaatselijke journalisten en fotografen. Het duurde veertien dagen voordat de motor was gerepareerd en in die twee weken genoten de zeelieden van hun beroemdheid. Vooral de meisjes waren van de ruwe zeebonken gecharmeerd.

`Waren jullie niet bang?’

`Welnee joh, ben je gek? Wij hadden de wrijfhoutjes al buiten hangen. Denk je dat wij ons druk maken om een paar rotsjes?’

Later kwam Karel hun redder in de nood voortdurend tegen op de reclames van de zware shag van Van Nelle, onder de kop `De wijde wereld van de weduwe’, en vernam hij dat de Noordzee na de Lauwers te hebben gered en passant ook nog even een tankertje naar Lissabon had gesleept.

 

Advertenties

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: