Spring naar inhoud

Debat over zinloos geweld — Is er dan ook zinvol geweld?

8 december 2011

Op 25 november 2011 publiceerde de Volkskrant het artikel “Geweld tegen leerkrachten veel zwaarder bestraffen”. Op Twitter vraagt de redactie van Debat op 2 aan de volgers: “Geweld tegen leerkrachten veel zwaarder bestraffen. Net als bij ambulancebroeders en agenten. Mee eens?”

Ik ben van mening dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen mensen die puur een dienstverlenend beroep uitoefenen, zoals leerkrachten, artsen, verplegers, ambulancebroeders, brandweerpersoneel, etc. De politie is een geval apart. De politie heeft namelijk enerzijds een dienstverlenende taak, en voorzover het om de uitoefening van die taak gaat hoort ze volledig in bovenstaand rijtje thuis, maar anderzijds heeft de politie ook een orde-handhavende taak, en dan wordt het ingewikkelder.

Als handhaver van de openbare orde is de politie een verlengstuk van de politieke macht, de lange arm van de wet. In tegenstelling tot wat de meeste machthebbers graag willen, bestaat de bevolking van een land niet volledig uit makke schapen. Soms wil een deel van de bevolking protesteren, en soms krijgt de politie dan de opdracht om dat protest te verhinderen. Conflicten kunnen daarvan het gevolg zijn.

Is er dan ook zinvol geweld?

Dat hangt er vanaf. De NATO zal zeggen dat het door haar toegepaste geweld in Azië en Libië zinvol was. Het ANC in Zuid Afrika en de IRA in Noord Ierland zullen zeggen dat het door hen toegepaste geweld zinvol was en nodig om tot een wijziging van het regiem te komen. Zowel de NATO als het ANC en de IRA zullen zeggen dat de regiemswijziging zonder de toepassing van geweld niet tot stand zou zijn gekomen en dat delen van de bevolking nog vele jaren onder het bestaande regiem gebukt zouden zijn gegaan.

Laat ik een voorbeeld geven op micro-niveau: ik loop op het strand mijn hond uit te laten, gekleed in een spijkerbroek en een zwarte jas. Mijn hond loopt los en vermaakt zich uitstekend met een andere hond verderop. Op hetzelfde moment is de politie op zoek naar een man in een zwarte jas en spijkerbroek die wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit. Een politie-auto rijdt het strand op en stopt bij mij. Twee agenten stappen uit en willen mij arresteren. Ik antwoord: “Heren, ik ben bereid met u mee te gaan, maar ik moet eerst mijn hond te pakken zien te krijgen en hem naar huis brengen. Daarna ben ik volledig tot uw beschikking.”

Terwijl ik nauwelijks ben uitgesproken, probeert een agent mijn rechterarm op mijn rug te duwen om mij de handboeien te kunnen aanleggen. Ik verzet mij daartegen, want mijn hond weet de weg naar huis niet, kan er bovendien niet in, en ik ben bang dat ik hem nooit meer zal terugzien wanneer ik plotseling van het strand wordt weggevoerd. De agent krijgt hulp van zijn collega en ik zie geen andere oplossing dan een agent een flinke schop in zijn kruis te geven en er vandoor te gaan. Ik roep mijn hond en door de duinen weten we te ontsnappen.

Volgens de wet had ik mij niet mogen verzetten en had ik de agent geen schop mogen gegeven. Volgens mij was de vrijheidsbeperking die de politie op mij toepaste onredelijk en buitenproportioneel en werd ik gedwongen mij te verzetten om verlies van mijn hond te voorkomen. Op dat moment was het door mij toegepaste geweld in mijn optiek zinvol, en had dit geweld kunnen worden voorkomen wanneer de agenten mij in de gelegenheid hadden gesteld de hond aan te lijnen en naar huis te brengen. Op het politiebureau was dan vervolgens heel snel gebleken dat ik niet de gezochte verdachte was, waarmee de zaak voor mij zou zijn afgedaan. Op meso- en macro-niveau kunnen zich vergelijkbare situaties voordoen.  

Niet goed te praten, wel begrijpelijk en voorspelbaar

Soms is geweld niet zinvol, maar wel begrijpelijk en voorspelbaar, dus te voorkomen. Mensen hebben nu eenmaal emoties, en het is verstandig wanneer politici en de politie daar ernstig rekening mee houden. Ten gevolge van grootschalige bezuinigingen van de Britse overheid maakte het bestuur van de gemeente Londen de keuze om buurthuizen en jongerencentra in de armste wijken van Londen te sluiten. Protesten vanuit deze buurten hadden geen enkel effect en waarschuwingen van plaatselijke ambtenaren en sociale dienstverleners mochten niet baten. In deze buurten is de werkloosheid gigantisch hoog, vooral onder jongeren. Ook zij die een opleiding hebben afgemaakt, zelfs een universitaire opleiding, hebben als gevolg van hun postcode minimale kansen op de arbeidsmarkt. De frustratie is hoog. 

Zoals gezegd: niet de gehele samenleving bestaat uit makke schapen en het was te voorzien dat op een gegeven moment de vlam in de pan zou slaan. Zinloos, verfoeilijk geweld werd toegepast. Niet goed te praten, wel te voorzien, dus te voorkomen. De signalen waren er al lang, maar zijn door politici en ambtenaren genegeerd. Die politici en ambtenaren zouden in een rechtstaat tot verantwoording moeten worden geroepen, maar dat gebeurt niet. Het gevolg is dat de frustratie nog verder oploopt.

Het Debat op 2 zal een andere insteek hebben. De toenemende agressie van leerlingen jegens leerkrachten is een probleem op zich, dat direct te maken heeft met een andere discussie: wie moeten de kinderen opvoeden? De ouders of de leerkrachten?   

Om iets over dit onderwerp te kunnen zeggen, dienen wij het begrip “opvoeding” op te splitsen in drie verschillende begrippen: opvoeding, educatie en sociale vaardigheden.

  • Opvoeding dient te geschieden door de ouders of opvoeders van het kind, in de beslotenheid van de woning en op straat.
  • Educatie dient (hoofdzakelijk) te geschieden door docenten, op school.
  • Sociale vaardigheden dienen te worden bijgebracht door zowel de ouders als de leerkrachten.  

Op een gegeven moment, doorgaans rond het begin van de puberteit, onttrekt het kind zich aan de invloedsfeer van de ouders en zoekt het toenadering tot een peer-groep, een groep van leeftijdsgenoten en gelijkdenkenden. Hoe meer ouders en leerkrachten op de hoogte zijn van wat er zich in deze peergroepen afspeelt, hoe meer ouders en leerkrachten in staat en bereid zijn een vertrouwensrelatie met het kind op te bouwen, zodanig dat het kind zich veilig voelt zijn belevingswereld te delen met ouders en leerkrachten, des te meer ouders en leerkrachten in staat zijn een kind sociale vaardigheden aan te leren en het te sturen in zijn sociale ontwikkeling.

In onze kapitalistische samenleving hebben het begrip “sociaal” en de daaraan gekoppelde begrippen “sociale vaardigheden”, “sociale zorg” en “sociale voorzieningen” aan populariteit verloren, want “daar hangt een prijskaartje aan”. Daarentegen is het begrip “economisch” enorm in waarde gestegen. Er wordt bijvoorbeeld pas iets aan drugsproblematiek gedaan wanneer de middenstand er last van heeft, dus niet om sociale redenen maar om economische redenen.

Onze kapitalistische samenleving kenmerkt zich in toenemende mate door gebrek aan solidariteit en een eenzijdige gerichtheid op de persoonlijke economische situatie. Enerzijds door de haves, die vaak uit alle macht trachten hun persoonlijke welvaart te vergroten of te handhaven, anderzijds door de have-nots, die trachten uit hun economisch slop te komen of zich uit frustratie ten gevolge van het niet-slagen van die pogingen neerleggen bij hun lot en een slachtofferrol aannemen. In beide gevallen wordt het voor kinderen niet gemakkelijk gemaakt sociale vaardigheden aan te leren.

De huidige problemen in het onderwijs komen in veel gevallen neer op gebrekkige sociale vaardigheden van leerlingen. Zoals hierboven aangegeven kan het gebrek aan sociale vaardigheden niet los worden gezien van de maatschappelijke omstandigheden. Structurele werkloosheid en relatieve armoede, soms al generaties lang, leiden tot apathie en frustratie, en een dergelijk milieu is niet bevorderlijk voor de ontwikkeling van sociale vaardigheden. Kinderen richten zich in toenemende mate op films en games waarin zij zich identificeren met fictieve “winners”, of — in het geval van games — zelf  “winners” kunnen zijn. Zij scheppen voor zichzelf een fictieve realiteit, die weinig raakvlakken heeft met de werkelijke samenleving. Het overschakelen tussen de fictieve realiteit en de werkelijkheid leidt vaak tot problemen.

In zijn games identificeert Johnnie van twaalf zich met Gangsta Man uit zijn games. In die games is hij de onoverwinnelijke Gangsta Man. En dan ontstaat er een conflict met een docent. Johnnie van twaalf reageert instinctief als Gangsta Man, zoals hij in zijn games gewend is, en niet als Johnnie van twaalf. De fictieve realiteit en de onaantrekkelijke werkelijkheid komen tot een botsing.

Het verbieden van games zou een uitermate kortzichtige maatregel zijn en niet tot oplossingen leiden. Daarvoor is het probleem te omvangrijk en te structureel. Slechts door de werkelijkheid aantrekkelijker te maken en minder frustrerend kan het probleem worden opgelost. Het ontslaan van jongerenwerkers en het sluiten van tal van recreatieve voorzieningen voor jongeren, uit economische overwegingen, draagt zeker niet bij tot de oplossing van de problemen.

Het kiezen van een regering die wél oog heeft voor de problemen en de structurele oplossingen, is iets wat we allemaal kunnen doen.

Jaap van der Wijk

Volg mij op Twitter

              

Advertenties

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: