Skip to content

Afstuderen

9 september 2013

rechtbankboteringestraat

Alle lekkere wijven noemden ons “meneer”, de meeste professoren en studiebegeleiders waren jonger dan wij, onze brilsterkten en broekmaten waren met 6 toegenomen, wij rookten bolknaks, onze ouders weigerden, vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, nog langer een financiële bijdrage te leveren aan onze studie, en de studiefinanciering zelf – een instituut dat was opgericht toen wij gingen studeren – was inmiddels zo verouderd dat zij, zeer ten nadele van ons, op de helling moest. Het waren deze subtiele signalen die ons op de gedachte brachten dat het tijd werd om af te studeren. Een goed verstaander heeft maar een half woord nodig.
“Maar als we nu een andere studierichting kiezen?” opperde Verschoor nog. “Filosofie of zoiets?”
Een kleine rekensom (0,00 plus 0,00 is 0,00) leerde ons dat dit geen optie was.

Om ons voor te bereiden op ons afstuderen dienden wij ons voor een gesprek op de faculteit te vervoegen. Die bleek zich al vier jaar lang op een ander adres te bevinden. “Dat kan niet!” zei Verschoor. “Dat zou ons toch zijn opgevallen?”
Ik was het volledig met hem eens. Hier moest sprake zijn van een complot. Een misselijke professorengrap.

Verschoor’s scriptie had de indrukwekkende titel “Zelfregulering – Een pleidooi tot afschaffing van het strafrecht” en die van mij heette “Argumentatie, semiotiek en dramatologie in de rechtspraktijk”. Wij waren er zeker van dat onze scripties zouden inslaan als een bom – summa cum laude was het eerste begrip dat in ons opkwam nadat wij elkaars scripties hadden gelezen – maar daar dacht men op de faculteit anders over. Tweehonderd woorden op een half paginaatje A4 voldeden hooguit als korte inleiding, niet als universitaire afstudeerscriptie.
Het was een afschuwelijke teleurstelling, vooral toen wij vernamen dat wij na ons afstuderen als “juridisch medewerker” nog jaren praktijkervaring op procesrechtelijk terrein zouden moeten opdoen om als zelfstandig strafrechtadvocaat te kunnen werken. Waarom had men ons dat nooit verteld gedurende de twaalf jaar die wij rechten hadden gestudeerd? Het was pure discriminatie. In ons stamcafé de Wolthoorn zag men echt geen enkel verschil tussen ons en onze afgestudeerde collegae.

De tweedejaars studenten die wij opdracht hadden gegeven onze scripties te schrijven, bleken daar, ondanks de riante vergoeding van tweehonderd gulden, zo’n drie weken voor nodig te hebben. Het resultaat was allerbelabberdst; het stond vol met begrippen waar wij nog nooit van hadden gehoord, zoals “deductieve logica”, “analogische wetstoepassing”, “grammaticale interpretatie”, enz. Het kostte ons maanden om enigszins te begrijpen waar onze scripties over gingen, hetgeen kennelijk nodig was om te kunnen slagen. Alweer zo’n belachelijke eis. Elke HBO-student Cultureel Werk kreeg na zijn tijd te hebben uitgezeten te horen dat de diploma’s klaar lagen voor iedereen die vond dat hij daar recht op had. Waarom kon men zoiets niet introduceren op de universiteit?

Toen wij in juni eindelijk onze bul op zak hadden zetten wij het gigantisch op een zuipen. Dat duurde tot half januari, omdat de kerstdagen er tussen zaten. Vervolgens scheidden onze wegen zich op professioneel gebied, want Verschoor kreeg via zijn ouweheer een werkplek bij kantoor Dongemans, Waaldrecht en Dongemans in de Oude Boteringestraat, terwijl ik het moest doen met een slecht betaalde stageplaats bij Winnie de Vries, op het Schuitendiep. Wij zagen elkaar regelmatig in de Wolthoorn en heel af en toe in het pand aan de Parkweg, waar wij beiden nog steeds woonden.

Nadat wij eindelijk als advocaat aan het werk mochten, veranderde ons leven drastisch. In plaats van dag en nacht in de Wolthoorn te zitten en bier te zuipen, schakelden wij over op sterke drank, die wij bij voorkeur nuttigden in de Charles Bar op het Zuiderdiep. Dat kreeg je ervan wanneer communisten zich tot de sociaal-democratie bekeerden. Wij wilden daar geen deel van uitmaken en omhelsden het liberalisme.

Onze cliënten bestonden doorgaans uit doorgewinterde heroïneverslaafden, die meestal op het allerlaatste moment waren toegevoegd, zodat wij geen tijd hadden om hun dossiers te bestuderen. Op een ochtend waren Verschoor en ik samen op de rechtbank en aanschouwde ik in de wachtkamer het volgende tafereel, dat typisch was voor onze dagelijkse praktijk: Verschoor kwam binnen, liep naar zijn cliënt en diens reclasseringsambtenaar, nam een slok oude genever uit zijn zakflacon en zei: “Sorry, we hebben maar vijf minuten voordat de zitting begint; ik weet niets over verslaving. Kunt u mij vertellen wat het verschil is tussen hasjiesj en heroïne?”
“Ik ben fucking dood!” zei de junk wanhopig tegen zijn reclasseringsambtenaar. Ik kon mij voorstellen hoe hij zich voelde, want er stond veel op het spel. De Officier van Justitie had 65 inbraken en berovingen samengevoegd en er hing veel van af. 65 delicten was het magische getal: bij 65 delicten werd de verdachte niet langer na het proces-verbaal naar huis gestuurd, maar kreeg hij een oproep om ter terechtzitting te verschijnen. De rechtbank trok doorgaans een kwartier voor de zitting uit en veertien dagen later kreeg de verdachte het oordeel te horen: vijf maanden hechtenis waarvan twee voorwaardelijk of afkicken in een verslavingskliniek. Uiteraard kozen alle veroordeelden voor de verslavingskliniek, waaruit zij na twee dagen wegliepen, waarna de teller weer op 0 stond en het gewone leven zich voortzette.

Ondanks zijn gebrekkige dossierkennis hield Verschoor een vlammend betoog over drugsverslaving als maatschappelijk probleem dat slechts kon worden opgelost door goede huisvesting, goed onderwijs en vooral door de have-nots in onze kapitalistische samenleving toekomstperspectief te bieden. Wij, de samenleving, hadden gigantisch gefaald, met alle catastrofale gevolgen van dien, en het was not-done om onze frustratie ten aanzien van dit onvermogen af te wentelen op zijn cliënt, de verdachte, die in feite zelf slachtoffer was.
Na de zitting kwam de rechter naar ons toe en zei tegen Verschoor: “Het wordt tijd voor een nieuwe tekst, meester Verschoor. U zingt dit lied nu al drie maanden lang bij elke cliënt, ongeacht de aard van het delict.”
“De kracht zit in de herhaling,” zei Verschoor. “Amandla!”

Die avond, toen wij na enkele genoeglijke uurtjes in de Charles Bar, waar wij het succes van Verschoor’s pleidooi hadden gevierd, viel het ons bij thuiskomst op dat het interieur er anders uitzag dan normaal. Wat het precies was konden we niet zeggen, maar het was anders. Ik inspecteerde mijn kamer en er viel mij niets op. De laden van de kast bevonden zich niet, of slechts gedeeltelijk in de kast, zoals gebruikelijk, en het hoopje schone was lag netjes naast de berg vuile was op de vloer. Toen hoorde ik een schreeuw vanuit Verschoor’s kamer: “Godgloeiendegodverdomme!” riep hij, “ze hebben m’n whisky gejat! Die vuile kolerejunks! Vieze, vuile marihuanaspuiters!”

In deze trieste nacht verloren wij het vertrouwen in de mensheid. Gelukkig was er nog genever.

Jaap van der Wijk

[Geschreven n.a.v. de opdracht van Tommy Wieringa om een kort verhaal te schrijven waarin Verschoor voor komt.]

Advertenties

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: