Skip to content

De grote boef

1 november 2012

1969. Ik woonde in bij de ouders van mijn lief, en plotseling was ik verdwenen, met achterlating van al mijn spullen. Er kwam politie aan de deur, en toen men vroeg wat er aan de hand was, en wat ik had uitgespookt, ging de politie daar niet op in, maar volstond met de opmerking dat het maar beter was dat hun dochter niet met deze jongen omging. De mythe was geboren.

Ik geef het toe, ik was niet het braafste jongetje van de klas. Op mijn 14e had ik een brommer, een zwarte Tomos, terwijl je pas op zestienjarige leeftijd op een brommer mocht rijden. Op mijn 15e kocht ik een motor, een Jawa, waarop je pas mocht rijden als je 18 jaar was. Op mijn 16e kocht ik mijn eerste auto, een snoekebek (Citroën ID), en ook dat was een strafbaar feit. Daarnaast was ik politiek actief, voor de PSP en de CPN, en ook daar had de politie in die tijd geen goed woord voor over.

Maar wat was nu de reden dat ik moest maken dat ik weg kwam?

Mijn moeder en mijn stiefvader hadden een kamerverhuurbedrijf. Eén van de huurders was een politie-agent, en mijn moeder had hem toevertrouwd dat ik een probleemkind was. Nu kwam ik daar maar heel af en toe, want ik was zeeman en ik reisde graag, maar zo nu en dan verbleef ik er een paar dagen op een zolderkamertje. Op één van die dagen kwam ik in gesprek met de politie-agent, die had gezien dat ik in een dikke Snoek reed, en hij bood mij aan om de auto te onderzoeken op gebreken. Hij vertelde mij dat de chassisbalken bijna doorgerot waren. Levensgevaarlijk. Dus verkocht ik de Snoek en kocht ik een Ford Mustang.  Daardoor was de politie-agent er net als mijn moeder en mijn stiefvader eveneens van overtuigd dat ik een probleemkind was.

Op zekere dag was er een protestdemonstratie en stond ik op de sokkel van een standbeeld om het publiek toe te spreken. Opruiende taal vond de politie, en twee agenten probeerden mij aan mijn benen van de sokkel af te trekken. Nu was die sokkel vrij hoog, en ik heb hoogtevrees, dus vroeg ik de agenten om mij los te laten, zodat ik zelf naar beneden kon klimmen. Maar ze bleven maar aan mijn voeten trekken en ik was bang dat ik met mijn hoofd op straat zou vallen, dus gaf ik hen allebei een schop tegen de kop. Toen pas lieten ze los. Ik sprong naar beneden en ging ervandoor.

Die avond belde ik met brigadier Fennink van de kinderpolitie, die mij vaak had geholpen wanneer ik weer eens door mijn stiefvader in elkaar was geramd. Hij vertelde mij dat de hele politiemacht naar mij op zoek was, want de politie schijnt het niet leuk te vinden wanneer ze door een recalcitrante snotaap tegen de kop worden geschopt.

Ik was dus op de vlucht en vertrok naar het buitenland. Maanden later liet brigadier Fennink mij weten dat de zaak was bekoeld en dat er geen aanklacht tegen mij liep.

Ik liet regelmatig mijn paspoort in Nederland verlengen, en dan waren er geen problemen. Op een gegeven moment solliciteerde ik voor een functie bij het Ministerie van Justitie en werd ik aangenomen, na een uitgebreid antecedentenonderzoek. Er lag niets tegen mij voor.

Ambtelijke molens werken traag, dus toen ik in 2010 een relatie met een Engelse vrouw had en haar dochter ging solliciteren op een hogere functie bij het Britse gevangeniswezen, als psycholoog voor de afdeling terrorisme, was ik benieuwd wat er uit het internationale (Interpol) onderzoek naar de relatie van haar moeder zou komen. Niets. Ook internationaal sta ik dus niet geregistreerd.

Jammer dat ik desondanks al die jaren in bepaalde kringen (zonder mijn medeweten en geheel onterecht) als boef, of ex-boef ben beschouwd.

Jaap van der Wijk (destijds Jaap Hofman)

Advertenties

John van den Heuvel is geen journalist

16 juli 2012

Veel mensen kennen John van den Heuvel als “misdaadjournalist” van De Telegraaf en (mede)presentator van RTL-Boulevard. Weinigen weten dat John van den Heuvel na de Havo bij de politie ging werken en zo’n tien jaar lang “diender” was alvorens hij zich op het pad van de journalistiek waagde.

Maar uit alles wat John zegt en schrijft blijkt dat hij nog altijd in hart en nieren een “diender” is. Hij identificeert zich in hoge mate met de “dienders” op een zaak, kent hun (van hogerhand opgelegde) beperkingen als geen ander, alsmede de frustraties die deze beperkingen tot gevolg hebben, en laat er in zijn doen en laten geen twijfel over bestaan dat zijn loyaliteit en soldariteit slechts bij één partij liggen: de politie. Het zal John niet overkomen dat hij de sympathie van de “dienders” kwijtraakt, want hij wil nog altijd bij hen horen.

Dat is uiteraard zijn goed recht, maar met journalistiek heeft het niets te maken. In journalistiek opzicht past John eerder in het vakje van (ex-) politiewoordvoerders als Klaas Wiltink dan in het vakje van misdaadjournalisten als Peter R. de Vries.

Gelukkig weten we tegenwoordig dat journalistiek geen waardenvrije bezigheid is. We zijn niet 100% objectief want we hebben allen onze eigen normen en waarden, waardoor onze waarneming en verslaggeving worden gekleurd. Toch is de journalistieke beroepsideologie gestoeld op een hoge mate van neutraliteit en objectiviteit. Het is echter van groot belang dat de journalist zich bewust is van zijn achtergrond en drijfveren, en vooral dat ook het publiek weet “waar de journalist vandaan komt”.

Alhoewel het de vraag is of John van den Heuvel zich daarvan in voldoende mate bewust is, weet de lezer van dit artikel nu in elk geval waar John vandaan komt. Dus wanneer Bénédicte Ficq, advocaat van kickbokskampioen Badr Hari, aangifte doet omdat de politie overduidelijk heeft gelekt naar John van den Heuvel, en Van den Heuvel daarop reageert met de woorden: “De politie heeft niet naar mij gelekt, ik heb juist informatie aan de politie gegeven,” dan dient de lezer (en de rechter) ernstig rekening te houden met de achtergrond van John van den Heuvel. John zal zijn “collega’s” bij de politie altijd de hand boven het hoofd houden, want hij wil voor geen geld ter wereld hun loyaliteit en solidariteit verliezen. In dat opzicht lijkt het zinvol als Bénédicte Ficq haar zaak doorzet en John van den Heuvel onder ede verhoort.

Met de wetenschap dat John van den Heuvel de politiecultuur nooit heeft kunnen loslaten en zich nog altijd “diender” voelt, zal het grote publiek hopelijk een andere kijk krijgen op de journalistieke waarde van zijn verslaggeving. Hier spreekt of schrijft geen journalist, maar een “diender” met een leuk betaalde hobby.

Jaap van der Wijk

Vlees noch vis…

25 juni 2012

Armoede in Nederland: de voedselbank

… en als het aan de Partij voor de Dieren ligt worden eieren en zuivel ook onbetaalbaar voor de minima, want Marianne Thieme wil dat vlees, vis, eieren en zuivel naar het hoge BTW-tarief gaan.  Daarmee sluit zij zich aan bij die andere pseudo-sociale yuppie partij – Groen Links – die ervoor strijdt om de ‘kilo-knallers’ en de ‘plofkippen’ uit de schappen van de supermarkten te laten verdwijnen.

Armoede in Nederland. Uit onderzoek van EénVandaag en het Nibud blijkt dat geen vlees meer eten, de verwarming niet meer kunnen betalen of nooit meer op vakantie gaan voor maar liefst 70 procent van de mensen die zich arm voelen de dagelijkse praktijk is. In Nederland leefden in 2010 529.000 huishoudens (7,7%), onder de armoedegrens (in dit geval de ‘lage-inkomensgrens’ van het CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek). Volgens de berekeningen groeit het aantal huishoudens onder de lage-inkomensgrens in 2011 van 529.000 tot 561.000, oftewel 8,1 procentvan het totaal. De dalende koopkracht is de belangrijkste oorzaak van de toenemende armoede. 

Hoe verhouden dalende koopkracht en sterk stijgende prijzen voor vlees, vis, eieren en zuivel zich tot een sociaal beleid?

Thans kunnen mensen die elk dubbeltje moeten omdraaien – en dat zijn er veel meer dan de hierboven genoemde huishoudens die onder de armoedegrens leven – zich dankzij het lage BTW-tarief en de ‘kiloknallers’ nog af en toe een stukje vlees veroorloven, maar wanneer de pseudo-sociale politici hun zin krijgen is zelfs dat niet meer mogelijk. Eén van de gevolgen daarvan is dat de (relatieve) deprivatie, het gevoel van achtergesteld zijn t.o.v. de rest van de bevolking, sterk zal toenemen. Een ander gevolg is dat de gezondheid van een significant deel van de bevolking zal verslechteren, terwijl het eigen risico van de zorgverzekering zo hoog is dat dit deel van de bevolking zich het feitelijk gebruikmaken van de gezondheidszorg niet langer kan veroorloven.

In september zijn er parlementsverkiezingen. Ik kan mij nauwelijks voorstellen dat er mensen zijn die massaal zullen stemmen op een partij die ervoor wil zorgen dat vlees, vis, eieren en zuivel slechts betaalbaar zijn voor een selecte groep.      Voor velen is het namelijk geen simpele kwestie van ‘verstandiger, milieubewuster keuzes maken’; geen kwestie van een auto van € 30.000,- kopen i.p.v. één van € 50.000,- om de sterk dalende koopkracht het hoofd te kunnen bieden. Voor velen betekent dit beleid dat men zich gewoon geen vlees, geen vis, geen eieren en geen zuivel meer kan veroorloven. Permanent.

Mevrouw Van Gelder uit Amsterdam heeft als kind Auschwitz overleefd. Haar hele familie is daar vergast. Sinds het overlijden van haar man leeft zij onder de armoedegrens en is zij afhankelijk van de voedselbank. Onlangs kreeg zij de kans om eindelijk weer eens een stukje vlees te krijgen, en daar verheugde zij zich op. Totdat zij hoorde dat het ging om wilde ganzen die op Schiphol waren vergast. Sinds die dag heeft mevrouw Van Gelder zich niet meer bij de voedselbank laten zien en heeft zij het vertrouwen in de ‘sociale samenleving’ verloren.

Geen weldenkend mens is tegen een diervriendelijk milieu en tegen solidariteit met dieren. Velen zouden – wanneer zij zich dat konden veroorloven – liever diervriendelijke producten kopen dan de goedkopere alternatieven. Maar helaas leidt de huidige verdeling van de welvaart ertoe dat er geen sprake is van onderlinge solidariteit tussen de mensen. In die situatie, waarin de kloof tussen arm en rijk steeds groter wordt, zijn er politieke partijen die traditiegetrouw geen boodschap hebben aan het minvermogende deel van de bevolking en zelfs glashard ontkennen dat er sprake is van armoede in Nederland, en nu dan ook politieke partijen die meer belang hechten aan solidariteit met de dieren dan aan solidariteit met de minvermogende medemens. Eigenlijk blijven er maar heel weinig partijen over waarop je kunt stemmen.

Jaap van der Wijk

 

 

 

Ik begrijp Robin van Helsum wel…

15 juni 2012

De Volkskrant, 15 juni 2012:

“De politie in Berlijn twijfelt er niet meer aan dat de mysterieuze ‘bosjongen Ray’ een 20-jarige inwoner van Hengelo is. De informatie die de politie Twente overlegde, heeft de Duitse collega’s overtuigd, zo heeft een woordvoerster van de politie Twente gezegd.

Op een foto die woensdag is vrijgegeven, werd de jongen, Robin van Helsum, direct herkend door vrienden. Ook zijn stiefmoeder zei dat het de 20-jarige Hengeloër betrof.

Samen met een vriend was hij op 2 september vorig jaar naar Berlijn vertrokken. Zijn vriend ging terug, Robin bleef en meldde zich enkele dagen later met slaapzak en tent bij de autoriteiten, met het verhaal dat hij vijf jaar lang met zijn vader in de bossen had geleefd. Hij zei toen 17 jaar te zijn. Daardoor zat hij niet als volwassene, maar als jeugdige in het opsporingssysteem van de politie. In Nederland was hij niet als vermist geregistreerd.

Woongroep
Schoolvrienden gaven aan dat hij persoonlijke problemen had en een nieuw leven wilde beginnen. Jeugdzorg Tempelhof-Schöneberg ontfermde zich in Berlijn over de mysterieuze jongen. Hij is in een woongroep ondergebracht en kreeg een voogd toegewezen. Hij zou zich daar thuis voelen en bezig zijn Duits te leren.

De communicatie verliep moeizaam, omdat de 20-jarige gebrekkig Engels en weinig Duits sprak. Bij de zoektocht naar de herkomst van de jongen is volgens de woordvoerder niet eerder een foto gebruikt, omdat hij dat zelf weigerde. Jeugdzorg zorgde ervoor dat deze week toch een opsporingsfoto kon worden vrijgegeven, waarna het raadsel van de bosjongen snel was opgelost.

De Duitse politie heeft inmiddels bevestigd dat de bosjongen een 20-jarige Nederlander is. Hij mag het gebouw van de woongroep vrijdag verlaten, aldus een woordvoerster van de politie in Berlijn. ”  Tot zover De Volkskrant.

Robin van Helsum (22-4-1992), met zijn 20 jaar al vader van een kind van twee, zag het niet meer zitten in Nederland. Hij had o.a. financiële problemen en vertrok op 2 september 2011 naar Berlijn, waar hij zich enkele dagen later bij de autoriteiten meldde met een ongeloofwaardig verhaal. Hij zei dat hij Ray heette en wist zich alleen zijn voornaam en zijn geboortedatum (22-6-1994) te herinneren. Zijn moeder Doreen zou bij een auto-ongeval zijn overleden toen hij 12 was, en daarna had hij met zijn vader Ryan vijf jaar in de bossen geleefd, totdat zijn vader bij een val om het leven kwam. Voordat zijn vader stierf drukte hij Ray nog op het hart “naar het noorden” te trekken, omdat hij dan in Berlijn zou komen.

“Ray” was een raadsel voor de Duitse politie. De jongeman, die aanvankelijk slecht Duits maar goed Engels sprak, werd 16 à 20 jaar geschat, maar zowel zijn kleding, zijn bagage en zijn uiterlijk zagen er veel te verzorgd uit om een verblijf van vijf jaar in de bossen geloofwaardig te maken. Daarnaast kon hij verbazingwekkend goed overweg met een laptop en een mobiele telefoon, en leek hij zich in Berlijn prima te vermaken.

Interpol werd op de zaak gezet, Ray’s DNA werd afgenomen en vergeleken met dat van vermiste personen, zoals de Vlaamse Liam Vanden Branden, maar zonder resultaat. En dan was er de kwestie van de overleden vader, die door Ray in het bos zou zijn begraven onder een hoop stenen. De politie van Duitsland en de Tsjechische Republiek zochten naar het lijk. Tevergeefs.  Op 28 februari 2012 verscheen de volgende oproep op het internet: “Robin, neem a.u.b. contact op met Alice i.v.m. overlijden van je vader.” De pijnlijke ironie. Het is de vraag of Robin dit bericht heeft gelezen.

Een week voor zijn vertrek naar Berlijn, op 23 augustus 2011, plaatste Robin nog de volgende oproep op het internet: “Hallo, mijn naam is Robin van Helsum, ik ben opzoek naar een woonruimte voor een wat langere periode samen met een goede vriend van mij. Persoonlijk werk ik full-time, mijn huisgenoot volgt studie (ontvangt studiefinanciering) + werkt daarnaast part-time. Wij zijn actieve jongens die zaken serieus benaderen, en wij zijn dus ook niet opzoek naar een woning waarin dagen lang feest kan/gaat worden gehouden. Graag willen wij dat het appartement over het volgende beschikt: – 2 slaapkamers – gelocaliseerd in Hengelo (ov)/Enschede – prijs graag incl. g/w/e als u nog meer vragen heeft kunt u mij gerust bellen of een email sturen. Met vriendelijke groeten, Robin van Helsum.”

Ik begrijp Robin van Helsum wel…

In 1975 was ik 14 jaar en na (alweer) een trauma verliet ik Nederland, met niet meer dan de kleren aan mijn lijf, een rugzak, een slaapzak, mijn paspoort en wat geld. Ik liftte naar Duitsland, waar ik onderdak kreeg bij vrienden in Keulen. Op een gegeven moment werd ik – zonder mijn paspoort bij me te hebben – tijdens een “razzia” opgepakt door de politie. En toen zag ik mijn kans om een nieuw leven te beginnen, met een nieuwe identiteit.

Ik gaf een valse naam op – Juan Ramon Pietro Carthodimedia – en zei dat ik afkomstig was uit Suriname. Met de Surinaamse onafhankelijkheid ophanden en het recht van Surinamers om de Nederlandse nationaliteit te krijgen, vermoedde ik dat het verkrijgen van een Nederlands paspoort een fluitje van een cent was. Ik gokte erop dat de administratie van persoonsgegevens in Suriname  slecht georganiseerd was.

Intussen verbleef ik in het Huis van Bewaring in Düsseldorf-Dehrendorf. Ik had het er graag voor over wanneer dit ertoe zou leiden dat ik een nieuwe identiteit kreeg, waarmee ik een nieuw leven zou kunnen beginnen. Maar helaas, de Nederlandse ambassade werkte niet mee en na drie maanden gevangenis werd ik op straat gezet; ik moest mezelf maar zien te redden.

Soms wil je niets liever dan opnieuw beginnen, zonder een verleden, en wanneer de kans daartoe zich aandient, maak je daar – hoe naïef ook – gebruik van.

Robin, het komt vast wel goed met je.

Jaap van der Wijk

Drink je misschien te veel?

31 mei 2012

De Jellinek heeft een online alcoholtest op het internet gezet, zodat je er zelf achter kunt komen of je alcoholgebruik risicovol is. Ik drink elke dag 3 tot 4 units alcoholhoudende drank (drie biertjes en één glas wijn) en was benieuwd naar de uitslag van de test. Die bleek 4 punten te bedragen (zie score hierboven), hetgeen betekent dat mijn alcoholgebruik van laag risico is.

Click hier om zelf de alcoholtest te doen. Uiteraard anoniem.

 

Mijn Saab van de dokter

17 januari 2012

Marga, mijn huisarts toen ik enkele jaren in Arnhem woonde, woonde bij mij in de straat en wij gingen als goede buren met elkaar om. Op een zaterdagmiddag was ik bezig met het opvullen van gaten in de carrosserie van mijn Alpha Sud, toen Marga bij me kwam staan om een sigaretje te roken. Om één of andere duistere reden wilde zij niet dat de praktijkruimte naar rook stonk.

“Da’s toch onbegonnen werk, Jaap,” zei ze, terwijl ik probeerde een klodder polyester in een gat te duwen.
“Wat moet ik anders?” antwoordde ik. “Die auto roest onder m’n kont weg.”
“Waarom koop je die Saab van mij niet?” vroeg Marga. “Hij is mij te groot en ik ga eerdaags een kleiner autootje kopen.”

En zo kwam het dat ik mijn Alpha Sud voor 300 gulden verkocht aan iemand van het kamp en de trotse eigenaar werd van Marga’s witte Saab 900 Turbo.
“Vergeet niet de esculaap-sticker van de voorruit te verwijderen,” zei Marga, “anders ben je strafbaar.”

Wekenlang dacht ik niet aan de esculaap. Ik gebruikte de Saab om van en naar mijn werk in Den Haag te rijden, om boodschappen te doen en om mijn hond uit te laten bij de Rijkerswoerdse plas of op de Koningsheide.

Totdat ik de gemakken van de esculaap ontdekte. Het begon op een zaterdagmiddag, toen ik boodschappen ging doen bij Albert Heijn. Het was erg druk op de parkeerplaats en er was nergens plaats voor mijn auto, behalve op een invalidenplek. Dus parkeerde ik de auto daar, deed mijn boodschappen, om bij terugkomst te constateren dat vier van de zeven auto’s op de invalidenparkeerplaats een parkeerbon op de voorruit hadden. Twee auto’s hadden een ontheffing, mijn auto had een esculaap, en deze drie voertuigen werden niet bekeurd.

Ik begon de limiet van mijn “vrijbrief” te verkennen en parkeerde overal waar dat niet mocht. Nimmer kreeg ik een bekeuring; kennelijk was de esculaap heilig. Dit ging zo een aantal jaren door.

Ik overtrad regelmatig de maximum-snelheid op trajecten waar dat gemakkelijk kon zonder het verkeer onveilig te maken, en het is mij meerdere malen overkomen dat een motoragent of Porsche-team naast mij kwam rijden om mij aan de kant te zetten, om bij het zien van de esculaap de hand op te steken en mij vrij baan te geven. Waarop ik maar één ding kon doen om geloofwaardig te blijven: extra gas geven.

Op een dag was ik onderweg van Den Haag naar Vught, voor werkoverleg met de directeur van de gevangenis aldaar. Ik was wat aan de late kant, dus ik trapte ‘m flink op z’n staart. Bij Gorcum werd ik echter aan de kant gezet door twee motoragenten.

“Ik heb haast, dit is een spoedgeval, ik moet dringend naar de gevangenis in Vught, naar de directeur,” legde ik uit. Daar was geen woord van gelogen.

Kennelijk veronderstelden de agenten dat de gevangenisdirecteur ernstig ziek was. Dat was ook zo, maar het was psychisch, en waarschijnlijk aangeboren. Hoe dan ook, wat erop volgde was de wildste en spannendste rit die ik ooit heb gehad. De voorste motoragent zorgde ervoor dat de linkerweghelft werd vrijgemaakt, en de achterste – die vlak voor mij reed – gaf het tempo aan. Op tweebaanswegen werd het verkeer naar de berm gedirigeerd, en zo ging het door met minstens 160 kilometer per uur, helemaal tot de gevangenis van Vught.

Daar bedankte ik de agenten vluchtig – ik had immers haast –  en zij gingen er weer vandoor. Ik was ruim op tijd voor mijn afspraak en daarna reed ik rustig naar huis. Mijn dag zat erop.
Toen ik de straat in reed was Marga juist bezig haar Golf te parkeren. “Jezus Jaap, heb je nu na al die tijd nog steeds die esculaap niet verwijderd?” zei ze terwijl ik uit de Saab stapte. “Echt jongen, daar krijg je gedonder mee!”

Ik wist het. Door oneigenlijk gebruik te maken van de esculaap pleegde ik een strafbaar feit en daar zou mijn werkgever, het ministerie van justitie, niet gelukkig mee zijn. Vandaag was het goed gegaan, maar voor hetzelfde geld zou er proces-verbaal zijn opgemaakt, en dan was ik in de aap gelogeerd.

Kort daarna kreeg ik er een tweede hond bij, en was de Saab niet meer zo geschikt. Ik ruilde haar in voor een Volvo 245, nadat ik de esculaap van de Saab had verwijderd. De eerlijkheid gebiedt mij te bekennen dat ik heb geprobeerd de sticker onbeschadigd van de voorruit te halen om hem in voorkomende gevallen te kunnen gebruiken in de Volvo, maar dat lukte niet. Er bleef niets van de sticker over.

Het duurde enige tijd voordat ik aan het rijden zonder esculaap gewend was, en dat heeft me een aantal forse bekeuringen opgeleverd. Maar al met al kan ik met zeker genoegen terugkijken op de periode waarin ik deel uitmaakte van de geprivilegiëerden, en kan ik enig begrip opbrengen voor mensen die – tot op zekere hoogte – misbruik maken van deze uitzonderingspositie. Zo had ik in Boxtel een buurman die een hoge functie bekleedde bij de Centrale Inlichtingendienst van de politie. Hij maakte gebruik van een “burger” dienstauto, een Mercedes, met een politiesirene en een los blauw zwaailicht dat in noodgevallen op het dak van de auto kon worden geplaatst. Wanneer hij onderweg was naar huis en moeder de vrouw met het eten zat te wachten terwijl hij bij Den Bosch in de file stond, plakte hij regelmatig het zwaailicht op de auto om “met toeters en bellen” snel thuis te kunnen zijn.

Macht corrumpeert.

P.S.: Naar aanleiding van dit verhaal werd mij een “geschikte” auto te koop aangeboden. Zie onderstaande foto.

Ik denk niet dat ik ‘m koop.

Wandeling door het Groningen van mijn jeugd

13 januari 2012

Deze nostalgische wandeling begint in de Turftorenstraat, op nr. 1 om precies te zijn. Huize Maria heette het pand destijds, en het was eigendom van de Katholieke Kerk. (Later werd het omgedoopt tot Casa Maria.) Mijn moeder en haar man huurden het pand om er kamers te kunnen verhuren aan studenten. Dat was hun broodwinning.

Hoe meer kamers er konden worden verhuurd, hoe meer zij verdienden, dus ik moest het doen met een opklapbed in de keuken (derde raam van rechts). Als gevolg daarvan zocht ik mijn heil op straat. In de Kleine Kromme Elleboog werkten vier hoeren: twee in het huis van Amsterdammer Paultje Zwart, tegenover mijn keuken, één in het huis op de hoek van de “elleboog”, en één naast de kroeg die later de naam “Paard van Troje” kreeg, tegenover de achteringang van de Cherry Bar. (De vooringang bevond zich in de Oude Kijk In’t Jatstraat. )

Tegenover Huize Maria bevond zich Café de Wolthoorn, een etablissement dat ik als volwassene jarenlang frequenteerde, ook toen ik al lang niet meer in Groningen woonde. Ik heb warme herinneringen aan deze bijzondere kroeg met zijn bijzondere cliëntèle, en ik noem het nog steeds mijn “stamcafé”.

Links van De Wolthoorn bevindt zich Café de Keyser, maar in mijn jeugd was dit het magazijn van de firma Wortelboer. Achterin het magazijn was een rechtstreekse verbinding naar de winkel, in de Grote Kromme Elleboog (rechts van slijterij Van Erp), waar men voor woninginrichting terecht kon. Voor het magazijn stonden regelmatig vrachtwagens, om zware rollen tapijt uit te laden.

In de Grote Kromme Elleboog bevond zich De Salamander, een winkel waar je steunkousen, kapotjes per gros  en klisma’s kon kopen. “Sanitaire hulpmiddelen” werden die destijds genoemd.  Nu vinden we in dit perceel Café Mulder.

Tegenover Café Mulder was (is?) het restaurant Muller gevestigd, maar ik herinner mij nog dat dit het pand was waarin meneer Andrae fietsen repareerde. Voor een gulden plakte hij je band. In de zomervakanties had hij aan mij een grote concurrent, want dan plakte ik banden voor 50 cent. Meneer Andrae mocht mij niet, en ik had moeite met hem, want vanwege zijn geloof mocht hij op zondag niet werken, maar er stond wel een fietspomp voor de deur van de werkplaats en als je je band op wilde pompen moest je een stuiver in het blikje op de vensterbank deponeren. Hij mocht dus wél geld verdienen op zondag.

Distilleerderij Van Erp in de Grote Kromme Elleboog. Waarschijnlijk de oudste slijterij van Groningen. Het kan ook zijn dat Jos Beeres in de Oude Kijk In’t Jatstraat de oudste is.

Dit etablissement  in de Grote Kromme Elleboog heette in mijn jeugd de Flamingo Bar. De eigenaar was meneer Brinksma, de vader van mijn schoolvriendje Henkie Brinksma, die later zelf ook diverse horecabedrijven in Groningen had.

De weg naar school was niet lang. Vanuit de achterdeur in de Kleine Kromme Elleboog linksaf, dan weer linksaf de Oude Kijk In’t Jatstraat in, langs de lekkere geuren van bakker Hartsema, de Harmonie en de kunstwinkel van Ongering. Op de Kijk In’t Jatbrug vonden mijn vriendje Alfred Ypema en ik eens een biljet van 2,50, dat we naar de politie hebben gebracht. Nooit meer iets van gehoord, alhoewel ons was verzekerd dat het geld van ons was als het na een jaar niet was opgeëist.

Over de brug rechtsaf, dan direct weer linksaf. Mijn lagere school, op het Guyotplein. Naast de school was het doveninstituut gevestigd, en wij mochten de leerlingen van die school niet pesten. Jacob Molema werd door meester Van der Lijn de klas uitgestuurd toen hij bij het opdreunen van de bijbelboeken keihard “Kut” in plaats van “Ruth” zei. Jacob was het met deze sanctie niet eens, trok buiten een stoeptegel uit het trottoir en gooide die prompt door het raam van onze klas. Hij werd echter niet van school gestuurd. Enkele weken later vloog het huis van meester Van der Lijn op de Noorderbinnensingel in de fik en gingen Jacob en ik bij onze zwaar verbrande meester op bezoek in het ziekenhuis.

In het linker huis op de foto, aan de Noorderhaven, woonde Johanna Venema, het eerste meisje in de klas met schaamhaar. Daar zag je alleen iets van tijdens zwemles in het Noorderbad, wanneer Johanna de rugslag oefende. Maar oh, wat was ik verliefd op haar.

Van de Turftorenstraat naar de Turfsingel. Mijn moeder en haar man hadden genoeg geld verdiend om zelf een huis te kunnen kopen. De keuze viel op het pand van het bejaarde echtpaar Stienstra, Turfsingel 60. Ook dit pand werd in gereedheid gebracht voor kamerverhuur, en ik kreeg zowaar een eigen “kamer”, een aanbouwsel in de achtertuin dat voordien was gebruikt als gereedschapshok. Nu staan links van het pand huizen, maar destijds bevond zich daar de stroopfabriek van W.A. Scholten. Eindelijk woonde mijn moeder “op stand”: op een steenworp afstand van de Stadsschouwburg en het Gymnasium, en als gevolg daarvan moest ik naar pianoles bij juffrouw Korenbrander, in een dependance van de muziekschool onder de Gardepoort, zodat mijn moeder vanuit haar raam kon controleren of ik ook echt ging. Zelf ging ik liever op bezoek bij Kees van der Hoef, aan de Kruitgracht. Hij wist alles van rock & roll en het schrijven van opruiende lectuur, en dat leek mij ook wel wat.

Op mijn nostalgische wandeling kom ik Kees tegen in de Carolieweg. Hij is niets veranderd. Nog steeds even belangstellend en sociaal. Nog steeds even druk met van alles en nog wat dat met de geschiedenis van Groningen te maken heeft.

Bakker’s Culinaire vakschool in de Pelsterstraat. Hier leerde ik het vak van scheepskok. Tijdens de studie, die ik zelf moest betalen,  werkte ik in verschillende restaurants, meestal als kok, maar soms ook in de bediening.

In die tijd woonde ik al zelfstandig. Rechtsboven op de foto kun je nog net een raam van mijn voorkamer zien. Nieuwstad 17a was mijn adres, naast Café Klein Mokum, van Piet en Roelie Mulder. Midden in de rosse buurt van Groningen. Ik woonde er graag. Rechts van mij bevond zich de Talk of the Town, de nachtclub van Bob en Janine.

In dit pand, op de hoek van de Nieuwstad en de Folkingestraat, was Café Schut gevestigd. Maarten Schut en zijn vrouw Gré Ebbinge dreven dit florerende café, totdat Gré overleed aan kanker, waarna het bergafwaarts ging. Later werd het “Tony’s Tattoo Bar”, gedreven door Tony Hijzelendoorn.

Mijn eerste baan: buffetchef bij Maison Cassée, in het Koude Gat. Maison Cassée was een chique Tearoom, met gedempte klassieke muziek. Ik heb er niet lang gewerkt, want ik wilde iets meer doen dan thee schenken en  taart scheppen voor taarten.

Martini Hotel op het Zuiderdiep. Ik heb er als kok gewerkt toen het nog de WEEVA werd genoemd. WEEVA betekende Wonen En Eten Voor Allen, en was een socialistische voortzetting van de Groninger gaarkeukens. Toen ik er werkte was er al sprake van een reorganisatie die ertoe moest leiden dat het een “normaal” hotel-restaurant werd. Destijds was het meest populaire gerecht Wiener schnitzel en menig redacteur van het aangrenzende Nieuwsblad van het Noorden kwam er dagelijks lunchen.

Hoek Herestraat – Kleine Pelsterstraat. Je zou het niet zeggen, maar in mijn jeugd was hier het chique hotel Baulig, waar ik als kelner heb gewerkt. Ik heb er mensen bediend als Daniël Waayenberg en Eric Schneider. Hotel Willems, schuin tegenover Baulig, was een dependance van Baulig, en had alleen een ontbijtkeukentje, zodat je voor speciale wensen in je kelnerskloffie over straat moest met gerechten, om half zeven ’s ochtends. Achter Baulig bevond zich Hotel Friesland, waar we na het einde van onze avonddienst graag een drankje nuttigden in de bar.

Voorheen Chinees-Indisch restaurant Wenshow in de Gelkingestraat. Mijn werktijden bij Baulig waren onmogelijk, van 6 tot 2 en van 5 tot 12. Dus bracht ik de tijd tussen 2 en 5 uur ’s middags vaak door bij mijn vriend en collega Frits Vogel, ook een Indische jongen, die als kelner bij Wenshow werkte. Ik hield mijn kelnerskloffie altijd aan, voor die paar uur. Op een middag liep de zaak plotseling vol met studenten, en meneer Ma Hen Chang, de eigenaar, gaf mij het bevel om Frits te helpen in de bediening. Toen de kok het niet aan kon, hielp ik ook in de keuken. Als gevolg van mijn inzet bood meneer Ma mij een vaste baan aan, en werkte ik afwisselend in het restaurant en in de keuken, waar ik met name belast was met het bereiden van Indische gerechten.

Amsterdams Broodjeshuis, hoek Zuiderdiep-Tweede Drift. Na sluitingstijd van de kroegen ontmoette “tout Groningen” elkaar hier, voor de karbonades en de halve kippen. Alles was gepaneerd. Vier koks deden niets anders dan in moordend tempo karbonades en halve kippen bakken in de frituur, waarna ze behendig in de vakken van de automaat werden gedeponeerd. Van twee tot vijf uur ’s nachts stonden er in het weekend zeker honderd mensen voor de automaten van het Amsterdams broodjeshuis. Het was een goudmijn. De enkeling die na deze vette hap nog zin had in een drankje, wist dat hij vanaf zes uur ’s ochtends terecht kon in de kroeg van Albert Zuidema in de Mauritsstraat.

En toen werd het tijd om naar zee te gaan. Pas in 1984 keerde ik voor het eerst terug in Groningen.